Niets dan superlatieven las ik in de besprekingen van “De Bijbel in schilderijen” van Gerard Denizeau, een zeer bekende en alom bewonderde Franse kunsthistoricus. En inderdaad, het boek (uitgegeven bij Davidsfonds 2017) is prachtig geïllustreerd en ieder meesterwerk, een bijbels thema weergevend, is achteraf verdeeld in genummerde fragmenten die uitvoerig worden besproken. Bij zijn verhelderende uitleg besteedt hij ook de nodige aandacht aan de compositie van het schilderij (kleuren, vlakken, lijnen etc.), niet enkel om de esthetische waarde ervan te benadrukken, maar ook om de bedoeling van het werk te onthullen. Ook toont hij geregeld andere werken die eenzelfde thema weergeven. Inderdaad geniaal.

Maar toch durf ik eventjes een titel van een essay van Louis Paul Boon parafraseren, “geniaal, maar met te korte beentjes”. Want de gerenommeerde kunsthistoricus gaat er steeds van uit dat in het verleden de meesters klakkeloos hun opdrachtgevers gehoorzaamden, in casu meestal de kerk. Zo gaat hij voorbij aan het gekende feit dat die beroemde schilders meesters (boven leerling en gezel) waren binnen de schildersgilden en heel dikwijls over geheime kennis beschikten die ze op soms geraffineerde wijze uitbeeldden. Hun inspiratie haalden ze dan niet uit de bijbel, maar uit het zogenaamde esoterisch christendom, waarvan alle uitingen loten zijn uit de gemeenschappelijke stam van de gnosis (kennis). Daarom koos ik 5 besproken meesterwerken uit die ik ostentatief ga bespreken vanuit een christelijk esoterisch standpunt. Niet om de Grote Waarheid (die toch niemand kent) te verkondigen, maar om ook eens die alternatieve visie haar recht te laten opeisen, in de overtuiging dat ook de kunstenaar die heimelijk koesterde. Soms zal ik ook terloops andere schilderijen met een gelijkaardig thema bespreken. Het definitief oordeel laat ik uiteraard aan de lezer over. 

1. De schepping van Adam     Michelangelo  1511

Toen Eva nog in Adam was, was er geen dood. Toen zij zich van hem scheidde ontstond de dood. Als zij weer in hem gaat en hij haar in zich opneemt zal er geen dood meer zijn (het evangelie volgens Filippus).

De uitgestrekte vinger van Jahweh die de vinger van Adam net niet raakt, dit iconisch beeld uit de plafondschildering van Michelangelo in de Sixtijnse kapel is in bijna ieders netvlies geënt. Maar stel de vraag wat Jahweh met zijn andere arm uitspookt en bijna niemand (vroeger ik ook niet) weet het antwoord: Jahweh omarmt liefdevol een vrouw. Wie in hemelsnaam — het tafereeltje speelt zich inderdaad in de hemel af, engeltjes incluis — is die vrouw? Denizeau geeft ons het antwoord: ze is Eva die Jahweh later aan Adam zal schenken. Waarschijnlijk zonder het zelf te beseffen verlaat de kunsthistoricus hier de veilige haven van de katholieke dogmatiek om zich in de woelige wateren van het esoterisch christendom te begeven. 

Florence  15de eeuw   

Florence was inderdaad het epicentrum van waaruit de spiritueel vernieuwende golf van de renaissance zich over Europa verspreidde, met voornamelijk een vernieuwde belangstelling voor de Oudheid. Zo stichtte Ficino er de Platonische academie waar hij in opdracht van Cosimo de Medici Plato vertaalde. Hij boog zich over “Symposion” (het gastmaal) en was vooral geboeid door Plato’s opvattingen over de wederhelften, twee entiteiten die ooit één waren, via ontelbare reïncarnaties van mekaar gescheiden en opnieuw één zullen worden. In de kabbala ontstond de term zusterzielen. Ficino was aan het mediteren over de zin “wanneer ge gestorven zijt, ook in de Hades in plaats van twee één zijt” toen Cosimo binnenstormde en bijna in extase brulde: “Hou op met het vertalen van Plato, we hebben het belangrijkste geschrift van de mensheid pas ontdekt”. Het bleek om de Hermetische geschriften te gaan (o.a. Poimandres) waarvan men dacht dat ze ten tijde van Mozes geschreven waren. Nu weet men dat ze uit de tweede eeuw dateerden en toehoorden tot de gnosis geschriften. De gnosis leerde dat de stoffelijke wereld door een minderwaardige godheid werd geschapen, de demiurg en dat de mens oorspronkelijk zijn medeschepper was. De mens werd echter verliefd op zijn spiegelbeeld in de stoffelijke wereld (het Narcissus thema) en dook er in onder. Achter zijn spiegelbeeld kwam hij echter niet terecht in een wonderwereld, maar in het aardse tranendal. Gevangen in de stof kon hij aanvangen met zijn ontelbare reeks reïncarnaties. Van die zienswijze moet Michelangelo op de hoogte geweest zijn. Nu bekijken we die twee bekende vingers met andere ogen: Jahweh (door de gnostici als de demiurg beschouwd) had niet juist Adam geschapen, maar neemt afscheid van hem. Adam verliet de hemel, later zou Eva hem naar de aarde volgen. Voor het eerst, althans volgens de bijbelse chronologie, werden zusterzielen van mekaar gescheiden.  

2. De zondvloed       Nicolas Poussin  1664 

Vraag aan Jan met de pet wie Nicolas Poussin was en hij hoort het in Les Andelys (geboorteplaats van deze Franse barokschilder) donderen. Een esotericus zal enthousiast antwoorden: och ja, hij die met het opschrift “et in Arcadia Ego” op zijn werk “les Bergers d”Arcadia” het graf van Christus nabij Rennes-le-Chateau aanwees. Soms maakte men daarbij ingewikkelde anagrammen van het opschrift om toch maar gelijk te krijgen. Algemeen wordt aangenomen dat het opschrift eenvoudig betekent dat ook in het vredige Arcadia de dood aanwezig is. De vraag is nu of ook in het schilderij “de zondvloed” een dergelijke verwijzing te vinden is. Op meesterlijke wijze wordt hier de wereldwijde catastrofe van de zondvloed weergegeven. Op de achtergrond ontwaren we wazig de ark van Noach.

Alle personages zijn reddeloos verloren, zoals de man die zich wanhopig op een roeiboot wil hijsen, of hij die zich koortsachtig aan een plank vasthecht (en ga zo maar door). En dit alles in sombere tinten gekleurd. En dan zie je die merkwaardige uitzondering: een koppel met kind dat een rots beklimt, ditmaal in zacht en hoopvol licht weergegeven. Jawel, die zullen ontsnappen aan het dodend water. Denizeau beschouwt ze als een prefiguratie van de heilige familie, alhoewel hij ze ook laat omkomen. In mijn visie ontsnappen ze als enigen aan het cataclysme. Links van het schilderij, juist op dezelfde hoogte, treffen we een identieke rotspartij aan en een slang. Een dergelijke figuratie op een schilderij verwijst meestal naar een verborgen betekenis. Mijn interpretatie: de overlevenden van de wereldramp waren slangenmensen. En nu komen we uiteraard aan bij het reptielencomplot van David Icke. Aangezien Icke voortdurend zijn standpunten wijzigde is het bijna ondoenlijk ze samen te vatten. Toch proberen we kort: tijdens het Sumerisch tijdperk (antieke beschaving tussen Tigris en Eufraat) kwamen aliens op aarde die een reptielenhuid vertoonden, ze deden genetische experimenten met de toenmalige mensen en sommige afstammelingen hiervan (de fameuze bloedlijnen) in het huidige tijdperk kunnen bij verlaagd bewustzijn in humanoïde reptielen veranderen. Maar wat heeft dit nu met de 17de eeuw van Poussin te maken? Alhoewel de vrijmetselarij zijn historische oorsprong vindt in de middeleeuwse gilden van de metselaars wordt de theoretische basis pas in de 17de eeuw gelegd. Maar dit alles baadde toen nog in een zeer speculatieve sfeer met veel ruimte voor grenzeloze fantasie. In voordrachten en artikelen had men het in die kringen vooral over de tempel van Salomon. Men opperde zelfs dat in de 2 mythische zuilen van de tempel (Boaz en Jachim) zich geheime kennis bevond van een beschaving voor de zondvloed. Kennis die enkel aan ingewijden bekend was. Men speculeerde dus toen reeds over de Sumerische beschaving en de slangenmensen zullen wel ter sprake gekomen zijn. Poussin, met zijn voorliefde voor occultisme zal hier gretig geluisterd en gelezen hebben en het verlokkelijke idee van de slangmens zal hem geïnspireerd hebben om die visie op zijn typisch schalkse manier als een soort raadseltje in één van zijn werken te verbergen. 

Twee eeuwen voor Poussin beeldde een andere meester een slangmens ten voeten uit, de in Gent geboren Hugo van der Goes in zijn “de zondeval” (1475). Eva plukt hier de appel om hem aan Adam te geven. De slang fluistert haar dit in (volgens de Genesis), maar er wordt geen reptiel getoond, wel een slangmens, staart en schubben incluis. Hugo van der Goes werd op latere leeftijd door het Lam Gods geslagen, letterlijk dan. Hij wou tevergeefs het geheim van het Lam Gods doorgronden en het meesterwerk van Van Eyck evenaren. Hij werd krankzinnig hierdoor en stierf in het Rode Klooster nabij Brussel (Zoniënwoud). In elk geval, David Icke bezit niet het monopolie om ons het bestaan van “reptilianen” te onthullen. 

3. De koningin van Seba     Piero della Francesca   1455

In 1270 schreef de Italiaanse dominicaan Jacobus de Voragine zijn Legenda aurea of Gulden legende, een serie levens van de heiligen van het kerkelijk jaar, stichtelijke maar wel boeiende verhalen, de overeenkomst met historische feiten berust meestal op toeval. Ze hebben een groot bekeringsgehalte en behoorden tot een paar jaar geleden tot het godsdienstonderricht (wat waren de lessen godsdienst toen toch leuk). Maar toen hij “de geschiedenis van het ware kruis” schreef miste hij iedere inspiratie: 

 

het is een verwarrend, kant noch wal rakend verhaal met zelfs een arrogante bedoeling: de suprematie van het katholieke Geloof over de andere religies aantonen. En laat het nu juist de kerk zijn die aan de grootste schilder van de vroegrenaissance, Pierro della Francesca, de opdracht gaf dit verhaal in een frescocyclus (9 afbeeldingen) in de kapel van Arezzo (Toscanië) weer te geven. Die cyclus wordt nu als het meesterwerk uit die periode bewonderd. Denizeau bespreekt enkel het fragment “de koningin van Seba” en volgt volledig de interpretatie van de Voragine. Doen we voorlopig ook. De koningin (toen dacht men nog dat ze uit Jemen afkomstig was, nu aanvaardt men bijna algemeen dat het de keizerin van Ethiopië betrof) knielt voor een balk die uit het hout van de boom van kennis van goed en kwaad (Genesis) is gezaagd en waaraan later Christus zal gekruisigd worden. In de tweede helft van de afbeelding komt ze bij koning Salomon en voorspelt hem dat het christendom het jodendom zal verdrijven.

Esoterische versie: de keizerin knielt voor de goddelijke kennis die door een jaloerse Jahweh aan de eerste mensen werd onthouden en intuïtief weet ze dat een goddelijke entiteit op aarde aan ingewijden die kennis (gnosis) zal openbaren, maar dat dit hem aan de betreffende balk aan het kruis het leven zal kosten.  Tussen de twee fragmenten (knielen en ontmoeting met Salomon) schilderde Francesca een zuil, kunsthistorici  noemen dit het enigma van Francesca. M.i. wil hij hierdoor doelbewust de ontmoeting tussen Salomon en de koningin van Seba scheiden van de andere afbeeldingen.  

Hij vindt die ontmoeting te belangrijk, zowel historisch als spiritueel, om die in een banale vertelling te laten opgaan. En inderdaad, die ontmoeting vormde de inspiratie voor de meest poëtische, maar tevens de minst begrepen Bijbeltekst: het Hooglied. Niemand raakt wijs uit die erotisch sterk geladen tekst. Bruid en bruidegom bezingen elkaar in erotische termen, maar leggen toch voortdurend de klemtoon op een geestelijke liefdesband. Trouwens, vooral in de titels van de fragmenten (in onjuiste volgorde geschreven) komen de woorden bruid en bruidegom voor. Die termen slaan niet op een klassiek huwelijk, maar op een  geestelijke eenwording. In feite illustreert het verhaal de eeuwige tweespalt tussen seksuele begeerte en geestelijke vervoering, tussen Eros en Psyche. In de Griekse mythologie worden die twee uiteindelijk verenigd. De zeer viriele Salomon met zijn ontelbare minnaressen herkent in Saba zijn zusterziel (mijn zuster, mijn zielsbeminde), bedrijft de liefde met haar in zijn hof (mijn geliefde is afgedwaald naar zijn hof) maar blijft vooral belang hechten aan haar maagdelijkheid (uw schoot is een tarwehoop, omzoomd met leliën). Maar er is veel meer. Hiervoor verwijs ik naar mijn artikel “Ethiopische connectie”. Heel kort: De keizerin van Ethiopië vraagt aan de geliefde Salomon de ark des verbonds, maar die kan en mag hij alleen aan een mannelijke afstammeling van hem geven. Zij raakt zwanger van hem en ze baart een zoon, de latere keizer Menelik, die eenmaal volwassen de ark komt opeisen van Salomon en hem meekrijgt (uit het Etiopische epos “Kebra Nagast”). De ark zou zich nu bevinden in de kerk van Axum. Hoe dan ook, zusterzielen en de ark des verbonds, vormen twee spiritueel uiterst belangrijke items die zich niet mogen verliezen in het zinloze verhaal van de Voragine. Vandaar de geschilderde zuil ter afzondering. Enigma opgelost. 

4. De Kruisiging             Mathias Grunewald          1515

Nergens wordt het uitgemergelde en door folteringen vervormde lichaam van Christus aan het kruis zo naturalistisch getoond als op dit schilderij. Het brandt zich in jouw netvlies. Nochtans gaat de aandacht van de kunsthistorici voornamelijk uit naar een figuur die een groot raadsel vormt omdat hij reeds 5 jaar dood was  en dus niets aan het kruis te maken heeft: Johannes de Doper. Daarenboven zien we achter hem een Latijns opschrift, vertaald: “Hij moet groter worden, maar ik kleiner” (Joh.3:30).De figuur van Johannes de Doper vormt de splijtzwam tussen het dogmatisch katholicisme en de esoterische benadering. Volgens de eersten wijst Johannes de Doper Christus aan als de ware messias, in de esoterische versie verkrijgt Christus enkel zijn goddelijke status na de doop door Johannes in de Jordaan. Meer nog, sommigen beschouwen Johannes de Doper als de ware messias. Hierover schreef ik reeds uitvoerig. De rol van Johannes op dit schilderij kan maar 2 bedoelingen hebben. Ofwel verwijst zijn vinger verwijtend naar Christus om gefrustreerd te beklemtonen dat hijzelf de grootste is, ofwel bekent hij deemoedig dat Christus inderdaad groter is  dan zichzelf en relativeert hij nederig zijn rol. De schilder neemt blijkbaar geen standpunt in en laat de keuze aan de beschouwer, wel iets unieks in de schilderkunst. Ik kies voor de eerste optie en dit enkel om historische redenen. Het kunstwerk, ook bekend als het retabel van Issenheim, was bestemd voor de kerk van het antonietenklooster in Issenheim (Elzas).  

De orde van Sint-Antonius (antonieten) was een ridderorde oorspronkelijk bedoeld voor het verplegen van pestlijders. Ze gingen echter steeds meer op de tempeliers lijken. De Henegouwse tak van die orde (de orde van Barbefosse) werd gesticht door Willem 4 van Henegouwen en die plande zelfs een kruistocht naar Jerusalem die echter nooit plaatsvond. De voorliefde van de tempeliers voor Johannes de Doper is maar al te goed gekend. Vandaar. Die Willem was de eerste opdrachtgever van Jan Van Eyck. Richten we onze aandacht nu op het lam Gods, ook hier wordt Johannes de Doper afgebeeld met zijn vinger wijzend naar Christus en met een tekst boven zijn hoofd geschreven.      En die tekst zou wel eens de oplossing voor het raadsel kunnen bieden. Ik herhaal de tekst (uit een vorig artikel) nog eens en voorzie ze tussen de haakjes van mijn interpretatie. “Dit is Johannes de Doper, groter dan de mens, aan de engelen gelijk (Johannes is dus bovenmenselijk, maar niet goddelijk, een engel is een entiteit tussen God en de mens, een intermediair tussen de twee), samenvatting van de wet (hij centraliseert de goddelijke wet, is er de vertegenwoordiger van) zaaiing van het evangelie, stem van de apostelen (zonder Johannes zou er inderdaad van een goddelijke Christus geen sprake geweest zijn), stilzwijgen van de profeten (men brengt vele uitspraken van profeten uit het O.T. in verband met Christus, nooit met Johannes de Doper) lamp van de wereld (Christus wordt dikwijls het licht van de wereld genoemd, hier worden ze dus een soort gelijken), getuige van de Heer (hier wordt Johannes ondergeschikt aan de goddelijke Christus). Jan Van Eyck laat hier Johannes de Doper wel degelijk de goddelijke energie doorgeven aan Christus (esoterisch standpunt), maar als een soort engelachtige figuur als tussenpersoon, uiteindelijk blijft hij ondergeschikt aan de goddelijke Christus (katholiek standpunt). Volgens mij toch wel een duidelijk compromis. Ik las dat binnenkort het prachtige schilderij zou ingeschakeld worden in de liturgische beleving. Hopelijk draagt het dan bij tot een toenadering van beide standpunten. Ook in de volgende  bespreking keren we nog eventjes terug op het LG. 

5. Pinksteren       El Greco  1600 

Toen na het verwijderen van de later aangebrachte verflagen tijdens de restauratie van het Lam Gods uiteindelijk het oorspronkelijk geschilderde lam (als symbool voor Christus die zijn bloed gaf voor de mensheid) vrijkwam, werd iedere kunstliefhebber met stomheid geslagen. De vrijgekomen ogen van het lam hebben niets dierlijks meer, het zijn de ogen van een zeer boze mens die ons meedogenloos verwijtend aangaapt. Door die vermenselijking overstijgt Van Eyck zijn spreekwoordelijk naturalisme. Maar het lam heeft ook alle redenen om droevig te zijn, want bijna niemand van de 144 personen (verwijzend naar de 144.000 uitverkorenen uit de apocalyps) die het omringen kijkt naar hem, enkel zij die een bijbel in de hand hebben gunnen hem een blik waardig. Toen het meesterwerk af was (1432) kreeg de kerk meer een afkeer van die manier van schilderen: talrijke personages die hoegenaamd geen interesse voor het heilig gebeurevertonen, dubbele bodems die zelfs ketterijen suggereren.  

Met de opkomst van het protestantisme en de talloze geestelijken die in concubinaat leefden had de kerk voorlopig wel andere katjes te geselen. In 1545 startte dan ook het concilie van Trente om orde op zaken te stellen. Dit gebeurde dan ook gedurende 18 jaren zeer grondig. In 1563 pakte men dan ook de kunst aan. Religieuze kunst moest enkel voor het zieleheil van de gelovigen zorgen, ieder gevaar voor dwalingen moest worden uitgeschakeld en hetgeen men uitbeeldde most duidelijk en direct herkenbaar zijn. Ieder personage moest aandacht voor het hoofdthema hebben. Daarom mogen er niet te veel personages geschilderd worden. Samengevat: alleen afbeeldingen conform aan de kerk mogen getoond worden. De bisschoppen moesten hierover waken en mochten desnoods de paus inroepen om op te treden. Men kan dit vergelijken met Stalin die aan kunstenaars de stijl van het socialistisch realisme opdrong om het communisme te verheerlijken. “Pinksteren” van El Greco lijkt volledig te beantwoorden aan die kerkelijke eisen. Bijna iedereen kijkt in vervoering naar boven, naar de duif die de heilige geest symboliseert, een tweetal kijken naar Maria die devoot in het midden staat. Braver kan het blijkbaar niet. Blijkbaar, want één persoon kijkt boos naar ons. Opnieuw een raadsel voor kunsthistorici, wie is die misnoegde man? Sommigen opperen dat de kunstenaar zelf naar ons kijkt. Ik ben hier zeker van. Maar concentreren we ons eerst op het geschilderde onderwerp: het pinkstergebeuren. In handelingen der apostelen wordt ons verteld dat de apostelen zich over de gehele wereld verspreidden om de blijde boodschap te verkondigen. Een klein praktisch probleempje, hoe konden ze zich verstaanbaar maken? De evangelisten geven de oplossing, tijdens het pinkstergebeuren kwam de Heilige Geest in de vorm van vurige tongen (kleurrijk geschilderd door El Greco) over de volgelingen van Christus zodat ze in verschillende talen spraken. Daarna begrepen alle vreemdelingen hen. Zowel in de parapsychologie als de psychologie sluit dit nauw aan bij een bekend fenomeen: het spreken in tongen of glossolalie. In een trancetoestand begint iemand te spreken in reeksen van onbegrijpelijke klanken die op woorden lijken. Er is echter geen enkele overeenkomst met een bestaande taal, er is geen sprake van een syntaxis, maar uit het onderbewuste opwellende klankenreeksen vertonen wel een fonetische structuur. Zo horen we 5 klinkers die in alle talen voorkomen. In de 18de eeuw werd dit fenomeen voor het eerst bestudeerd bij patiënten die de Oostenrijkse arts Mesmer door het zogenaamde dierlijk magnetisme trachtte te genezen. Hij bracht ze (soms in groep) in trance en dan stamelden ze die onbegrijpelijke klanken. Soms ging dit gepaard met het manifesteren van paranormale vermogens. En nu een zeer merkwaardige overeenkomst met de apostelen na hun ervaring met de vurige tongen. Het spreken in tongen werd als één der gaven van de Heilige Geest beschreven. Andere gaven waren onder meer genezen door handoplegging, het verkondigen van profetieën die achteraf bewaarheid werden en het onderscheiden van geesten (wel degelijk geesten van afgestorvenen). Paranormale eigenschappen dus als gevolg van een trancetoestand. Dit werpt uiteraard een ander licht op het pinkstergebeuren. El Greco moet aangevoeld hebben dat de bijbelse versie van de vurige tongen ergens niet klopt. Enerzijds volgt hij gedwee de opgelegde voorschriften van de kerk bij het schilderen, anderzijds uit hij duidelijk zijn scepsis door zelf ostentatief twijfelend naar ons te kijken. El Greco schilderde inderdaad zijn eigen gelaat als protest. In het MSK Gent ontdekte ik een andere barokschilder die op een subtiele wijze zich distantieerde van de kerkelijke richtlijnen. 

Jan Janssen is een wat miskende Gentse kunstenaar die de geniale Caravaggio trachtte na te bootsen. In 1620 schilderde hij “de annunciatie” waarin de aartsengel Gabriël zich richt tot Maria aan een bidstoel. Slechts twee figuren en het tafereel baadt in een goddelijk licht (dit goddelijk licht schijnt overvloedig in de barokschilderijen). Alles conform de kerkelijke richtlijnen. Maar onderaan schilderde hij bijna onopgemerkt de vloer van een toneelpodium. Als wou hij ons duidelijk maken: neem dit alles niet te ernstig, het is maar een toneeltje.

 

 

Tekst: Corry Geijsen                                                                                             Illustraties: Patrick Coucke