1. Leven na de dood.

 

Alhoewel poltergeistfenomenen fantastisch lijken kenmerken ze zich door een doffe banaliteit.   Klopgeesten - die volkse uitdrukking verwijst reeds naar het hiernamaals - jagen de inwoners van een zogenaamd spookhuis door telekinese en klopgeluiden de stuipen op het lijf. Dergelijke fenomenen te Hydesville in 1848 zouden onze kijk op de mensheid hebben kunnen veranderen als het achteraf niet grondig misgelopen was. Hydesville was - bestaat nu inderdaad niet meer - een onooglijk boerengehuchtje nabij New York. In het huis van de familie Fox spookte het dat het een lieve lust was. Twee dochters van een godvrezende methodist, Margaret en Kate, waren ervan overtuigd dat hier een geest in het spel was  

en kwamen voor het eerst in de geschiedenis tot de geniale conclusie om door een binair communicatie-systeem avant la lettre in contact te treden met de ordeverstoorder uit de andere wereld: ze stelden vragen, een klopje als antwoord betekende ja, twee klopjes neen. Later werd het wel wat ingewikkelder. Maar het lukte wonderwel en ze kwamen tot de conclusie dat het de geest van een in het huis vermoorde marskra-mer betrof. Zijn lijk werd in de kelder gevonden. Zo ontstond het spiritisme dat zich ongelooflijk snel over Amerika en zelfs de hele wereld verspreidde, het werd een modeverschijnsel dat mediums met geesten in contact traden. Hiermee viel veel geld te verdienen. De beide zusjes Fox wilden ontsnappen aan de uit-zichtloze troosteloosheid van Hydeville en gaven zich uit voor mediums. Uiteraard werden ze na een paar optredens wegens bedrog ontmaskerd. De spiritistische beweging was ondertussen zo invloedrijk gewor-den dat ze de meisjes konden bewegen hun bekentenissen in te trekken. Sceptici reageerden vinnig door te beweren dat er nooit menselijke resten in de bewuste kelder werden gevonden, het betrof slechts dieren-botten. Het gehucht Hydeville is nu letterlijk van de aardbodem verdwenen en ook figuurlijk bijna volle-dig uit het collectief geheugen.                                                                                                       Ondertussen had het spiritisme zich in twee delen gesplitst. Enerzijds het spectaculaire gedeelte met onder meer zwevende tafels   en ectoplasma dat uit de lichamen van  mediums tevoorschijn kwam. Hierover is reeds zeer veel geschreven. Algemene consensus: alles was bedrog want als   de controlesystemen geso-fisticeerder werden deden die fenomenen zich niet meer voor. Anderzijds deed een intellectueel (of moet ik er pseudo voorplaatsen?) spiritisme zijn intrede. De aanhangers ervan noemden zich liever spiritualis-ten, dat klonk inderdaad wat spiritueler. Hun belangrijkste vertegenwoordiger was de Franse pedagoog 

Allan Kardec. Ooit profeteerde Christus dat na hem iemand zou komen die door de werking van de heilige geest tot grotere mirakels in staat was en de mensheid de uiteindelijke waarheid zou verkondigen: de parakleet of de vertrooster. Kardec beweerde dat het spiritualisme de leer verkondigde van de beloofde vertrooster. Enkel de titels van zijn twee belangrijkste werken “het evangelie volgens het spiritisme” (1863) en “de genesis volgens het spiritisme” (1865) deden fundamentalistische katholieken hun haren ten berge rijzen. In feite waren het antwoorden die echte of vermeende geesten via mediums in trance gaven aan de vragen die Kardec hen stelde. De vragen waren echter zo suggestief dat nepmediums maar al te goed wisten wat ze moesten antwoorden. In Spanje werd de inquisitie pas afgeschaft tijdens de inval van Napoleon. Het vuur voor de folteringen was nog smeulend, maar werd weer aangewakkerd. De boeken van Kardec werden in Spanje openbaar verbrand.       Hoe dan ook, de meeste academici keken neerbui-gend neer op mediums. Nochtans waren het enkele mediums die zonder dat ze er zelf bewust van waren het voor velen onweerlegbaar bewijs leverden voor het voortbestaan van de menselijke ziel na de dood.  Ik heb het over de kruiscorrespondenties. 

         Kruiscorrespondenties.

 

In feite ontstond de parapsychologie op een romantische wijze. Onder een heldere sterrenhemel stelde de Britse classicus Myers aan een paar academische collega’s waaronder Gurney en Sidgwick de vraag of ze ooit in staat zouden zijn het menselijk voortbestaan na de dood wetenschappelijk te bewijzen. Zo ontstond in 1882 de Society for Psychical Research (SPR). Op het geboortekaartje vergat men echter te vermelden dat “parapsycholoog” geen beschermde academische titel was. Iedereen mocht zich zo noemen. Beroemde parapsychologen waren dan ook academici in een andere discipline die paranormale fenomenen onder-zochten en zo dikwijls de spot van collega’s over zich heen kregen. Nederland vormde hierop een loffe-lijke uitzondering. In 1932werd Dietz toegelaten als privaatdocent in de parapsychologie aan de Leidse universiteit en een jaar later Tenhaeff als dusdanig aan de Utrechtse universiteit. In 1953 werd laatst-genoemde benoemd tot bijzondere hoogleraar (dus bezoldigd) in de parapsychologie.

Onder de stralende sterrenhemel deed Myers een plechtige belofte: indien het in zijn mogelijkheden lag zou hij na zijn dood het ultieme bewijs van onsterfelijkheid leveren. Ook Gurney en Sidgwick sloten zich bij die belofte aan. Myers stierf in 1900 en hij hield zich aan zijn belofte. Drie vrouwelijke mediums kregen korte berichten door met de opdracht die naar een bepaald adres te sturen van een ander medium. Mevrouw Piper kreeg in Engeland de term thanatos (Grieks voor dood) door en een kort bericht.  Mevrouw Holland kreeg in Indië het woord mort door en een Latijnse tekst. Nog in Engeland ontving Verrall eveneens een Latijnse tekst. Ook op aandringen van een onbekende entiteit belandden de teksten bij de Londense SPR. Men meende er Myers in te herkennen. Wel interessant, maar geen krachtig bewijs. Mevrouw Verall kende Myers persoonlijk en beheerste het Latijn. Toch ontstond hier de kruiscorrespondentie. Later kreeg een ander medium het woord Lethe door en eveneens een opmerkelijk langere tekst in het Latijn. Idem bij een ander medium. De mediums kenden mekaar niet en beide berichten belandden opnieuw bij de SPR. Deze maal was men wel verrast. De Lethe was volgens de Grieken en de Romeinen een rivier in de onderwereld. De schimmen der gestorvenen dronken eruit en vergaten dan hun aardse leven. De beide Latijnse teksten waren fragmenten uit werken van Ovidius en Vergilius over de Lethe. De kruiscorrespondenties werden steeds ingewikkelder en duurden 10 jaar. Ze omvatten een drieduizend tal bladzijden. Ook Gurney en Sidgwick leverden als entiteiten hun bijdragen. In 1979 schreef de Amerikaanse psycholoog en toenmalig president van de SPR Gardner Murphy zijn standaardwerk “parapsychologie” 

 

 

(vertaald in de prestigieuze reeks aula). In feite een droog werk over parapsychologisch laboratorium onderzoek. Hij uitte zich zeer sceptisch maar veranderde plotseling van toon als hij het over de kruiscorrespondenties had. Hij beweerde die grondig bestudeerd te hebben en vond ze krachtig bewijsmateriaal voor het leven na de dood. In feite kun je die berichten beschouw-en als een goed geoliede machine waarvan ieder onderdeeltje perfect functioneerde. Nochtans was er één zwakke schakel: mevrouw Verrall. Ze kende Myers persoonlijk zeer goed en haar man was eveneens classicus, voer voor sceptici. Alhoewel Verrall een belangrijke rol in ons verhaal speelde had ze haar twijfels. Ze wou onweerlegbaar bewijsmateriaal dat de berichten wel degelijk van Myers afkomstig waren. Ze trok haar stoute schoentjes aan en begaf zich naar haar collega (concurrente?) mevr. Piper en bezorgde haar drie woordjes – autos ouranos akumoon — die ze aan de echte of vermeende geest van Myers moest doorgeven. Die drie woordjes (en de hemel zelf zonder golven) kwamen uit een boek van Plotinus, een relatief minder gekende neo-platonische filosoof uit de 4de eeuw. Hiermee verwees die filosoof naar de toestand van de ziel om in contact met God te kunnen treden. Verrall zelf wist enkel summiere gegevens over de filosoof. Daarom stelde ze als voorwaarde dat Myers niet enkel de woorden in de juiste context zou verklaren, maar ook informatie zou geven die niet aan haar bekend was. Tevens eiste ze dat ze Myers perfect zou herkennen via zijn stijl en woordkeuze. De doorgekomen tekst verbijsterde haar en overtuigde haar volledig: enkel Myers kon die hebben doorgegeven. Volgens mij kreeg ze zelfs een liefdesverklaring post mortem in bedekte termen. Romantischer kan het niet zijn. Nu de interesse in de klassieke oudheid opnieuw gewekt is vind ik de tijd rijp om een boek uit te geven met een boeiende uiteenzetting over die kruiscorrespondenties. Hopelijk gebeurt dit. Dan zou ik zeer benieuwd zijn welke argumenten de sceptici dan uit hun anti-toverhoed zouden halen.

          Spiritualisme en spiritisme in Nederland.

 

Het filosofisch klimaat in Nederland was gunstig voor het ideeëngoed van het spiritualisme, en dit dankzij de grote invloed van de Leidense filosoof Gerard Heymans (1857-1930). Hij postuleerde het psychisch monisme dat stelde dat alles ziel was en geloofde ook stellig in een wereldbewustzijn waar ook de overledenen deel van uitmaakten. Contact tussen levenden en doden pasten hier naadloos in. Maar ook de geliefde schrijver Frederik Van Eeden (“de kleine Johannes” “van de koele meren des doods”), tevens psychiater spreidde het bedje voor het spiritualisme en later voor het spiritisme, maar dit laatste bleek een totaal verkeerde gok. 

Zo publiceerde hij een droomdagboek. Door analyse van zijn dromen groeide de overtuiging dat tijdens de slaap het astrale lichaam tijdelijk (na de dood dan definitief) het stoffelijk lichaam verliet om ervaringen in de astrale wereld op te doen. De droom is daarvan de weerslag. Dit liet hem, naar de woorden van zijn biograaf Fontijn en tot diens grote ergernis (tweede deel van zijn biografie met de veelbetekenende titel “trots verbrijzeld”) in de valkuilen lopen van het spiritisme. Van Eeden bezocht te Londen geregeld seances van bekende mediums en geloofde kritiekloos alles. Hij nodigde zelfs het medium Anna Eva Fray uit om in Nederland haar paranormale vermogens te tonen. Dit gebeurde diverse malen. Van Eeden bleef overtuigd en nodigde journalisten en geleerden uit om een met veel tamtam aangekondigde seance te Amsterdam (1889) bij te wonen, in de hoop dat het spiritisme algemeen zou aanvaard worden. Maar het werd een totale mislukking. Fray vertelde niets zinnigs en een luttele tafelbeweging werd door haar benen veroorzaakt. De Nederlandse pers oordeelde vernietigend over het spiritisme en Van Eeden werd een verdwaalde sjamaan genoemd. In 1913 overleed op 24 jarige leeftijd Paul, de zoon van Van Eeden. Hij schreef hierover een ontroerende novelle “Pauls ontwaken”, dat hem echter volledig in de armen van het spiritisme dreef. Tijdens het overlijden (het ontwaken) van zijn zoon raakte Van Eeden in trance en beleefde een mystieke eenheid met de ziel van Paul. Maar daarvoor gebeurde er meer. “Om mijn huis werd een gestadig klepperen gehoord als van castagnetten, het kwam dichtbij en verwijderde zich, maar hield niet op, tot de bewoners er onrustig door werden …… Mijn twee kleine kinderen met hun begeleidster kwamen terug van een wandeling in het bos, zeer verrukt en opgewonden — zij hadden mooie muziek gehoord, in de wolken”    Dietz, de eerste officiële Nederlandse parapsycholoog formuleerde het kernachtig “het bedrog is de schering en het zelfbedrog de inslag van het spiritisme”. Dietz haalde de psycholoog Tenhaeff uit een muffig verzekeringskan-toor waar hij werkzaam was en zorgde ervoor dat hij de tweede officiële Nederlandse parapsycholoog werd. En laat nu juist diezelfde Tenhaeff zijn belangrijkste werk uit 1936 de titel meegeven “het spiritisme”. 

          Waarom Tenhaeff geen hoge dunk had van het hiernamaals.

 

Reeds in 1934 schreef Tenhaeff in zijn “hoofdstukken uit de parapsychologie” over het leven na de dood. Dit werk is een unicum. Bevrijd van het beklemmende juk van de administratie kon de kersverse parapsycholoog zijn fantasie de vrije loop laten. Je krijgt de indruk dat je in de gothic novels van Poe of Lovecraft aan het lezen bent. Ergens in Scandinavië waart in klaslokalen van een schooltje de schim van de ex-directrice rond. Slechts met zweepslagen kan men die schim vernietigen. Hij schenkt in zijn boek veel aandacht aan poltergeist– en spookfenomenen die hij raar genoeg in Freudiaanse zin interpreteert: 

dwanghandelingen manifesteren zich ook na de dood. Post mortem neuroses dus. Hij dweept zelfs even met het idee van een tijdelijk voortbestaan na de dood. De toon van “het spiritisme” is heel wat ernstiger en aanvankelijk zelfs heel kritisch. Hij begint met Dietz gelijk te geven: “Ik ben het met Dietz eens dat met het accepteren der geestenwereld der zieners we tot de conclusie moeten komen dat na zijn dood de mens langzamerhand tot een soort van imbeciel degenereert”. Dan volgt een summier overzicht van het spiritualisme en spiritisme waar hij zich ook zeer kritisch opstelt. De hoofdbrok vormt echter de spiritistische hypothese in de parapsychologie, die in tegenstelling tot de animistische hypothese stelt dat sommige paranor-male fenomenen aan de inwerking van geesten moeten worden toegeschreven. Hier ruilt hij zijn kritische ingesteldheid in voor een warm pleidooi en ontpopt zich (alleen voor enkele gevallen) als een believer in het leven na de dood. Voor zijn wel zeer persoonlijke opvatting over het hiernamaals is hij echter zeer schatplichtig aan de filosoof en tevens theosoof J. Poortman die in 1954 promoveerde tot doctor in de wijsbegeerte aan de Amsterdamse univer-siteit op een proefschrift met “Ochema” als titel. Ochema is Grieks voor voertuig. Zijn leer noemde hij het hylisch pluralisme of meervoudige lichamelijkheid. Na een grondige studie over zienswijzen over het leven na de dood in diverse religies, filosofieën en metafysische systemen kwam hij tot de conclusie dat men diverse graden van fijnstoffelijkheid kan onderscheiden. Daarmee hangt het geloof samen dat de mens over meerdere subtiele lichamen beschikt. Als de ziel in een fijnstoffelijke wereld belandt krijgt het als voertuig (ochema dus) een identiek lichaam. Dit lijkt op het warrige gedachtegoed van de theosofie, maar dit is het niet. Toen in 1970 Poortman overleed schreef Tenhaeff een uitgebreid en zeer lovend artikel over hem in het tijdschrift voor parapsychologie: blijken van waardering hadden aanmerkelijk groter kunnen zijn - zijn heengaan is niet alleen een verlies voor de wijsbegeerte maar zeker ook voor het parapsychologisch onderzoek. Als vrijmetselaar waren de termen filosoof en theosoof voor Tenhaeff  onverenigbaar. Hij schreef dan ook: men heeft wel eens doen voorkomen dat hij een blinde vereerder was van personen als Blavatsky, Leadbeater ….. maar niets is minder waar …. hij wist maar al te goed hoe waarheid en verdichting van elkaar gescheiden kunnen worden. Om nu toch eens het jargon van de theosofie te gebruiken: na de dood vertoeft de menselijke geest in een astraal lichaam in de astrale wereld. En over die astrale wereld had Tenhaeff  nu een zeer persoonlijke mening. De astrale stoffelijkheid is ideoplastisch, dit betekent dat ze de vormen aanneemt van onze gedachten. De overledene wordt dus geconfronteerd met zijn eigen gedachten, angsten, wensen en fantasieën. Hij of zij is er dikwijls van overtuigd in een reële wereld te vertoeven, maar wordt enkel met zichzelf geconfronteerd. Tenhaeff berooft hier het hiernamaals van iedere objectiviteit. Dit doet denken aan het Hades, de schimmenwereld der geesten waarin de antieke Grieken geloofden. Tenhaeff moet een grote invloed gehad hebben op de overige Nederlandse parapsychologen, want begin jaren vijftig besloten ze de onderzoeken naar een eventueel voortbestaan na de dood stop te zetten wegens.de subjectiviteit van zogenaamde berichten uit het hiernamaals. Vele jaren nadien kwam echter een nieuwe en nu een (helaas bijna!!!) definitieve doorbraak. Zoals dikwijls werd dit eerst in de literatuur verkondigd.   

          Het stemmenfenomeen.

 

Getalenteerde schrijvers hebben een spirituele antenne voor gebeurtenissen en tendensen die nog niet aan het grote publiek bekend zijn. Zo schreef in 1963 de zeer productieve Simon Vestdijk de roman “Bericht uit het hiernamaals”. Het verhaalt de belevenissen van een groep zielen, de biologieleraar Hildevoort is hun woord-voerder. Nieuwkomers willen een hand schudden maar beseffen dat ze geen hand meer hebben en leren dan maar telepathisch te communiceren. In feite is hun relaas één grote hulpkreet naar de mensen op aarde. Opmerkelijk is de hoop, zelfs de overtuiging van Hildevoort dat eenmaal de mensen op aarde over de technische mogelijkheden zullen beschikken om met de overledenen te communiceren. 

Het verhaal bevat geen enkele verwijzing naar godsdienst of mystiek, en dit tot groot ongenoegen van de geloofsgemeenschappen in Nederland. Traditioneel laat men het stemmenfenomeen beginnen bij de Zweed Jürgenson die in 1959 vogelgeluiden opnam, maar later (niet onmiddellijk!) bemerkte dat hij stemmen hoorde van zijn overleden moeder en gestorven vrienden. Andere mensen bevestigden dit. In feite was het fenomeen al vroeger gekend. Een vrouw kwam terug van een lange reis en keek haar correspondentie na. Ze werd opgebeld door een vriendin die zeer kort meldde dat ze ook weg was. De vrouw was boos dat het bericht zo kort was en besteedde terug aandacht aan haar briefwisseling tot ze een doodsbericht zag van haar vriendin die haar daarnet had opgebeld. Dit is één van de vele getuigenissen die de parapsycholoog Scott Rogo vermeldt in zijn fascine-rende “phone calls from the dead” uit 1979. Telefoons waren waarschijnlijk de eerste technische apparaten die entiteiten gebruikten om zich kort (energetische problemen?) te manifesteren. Maar het eerste gerapporteerde geval van het bekende stemmenfenomeen dateert van 1952. Twee Italiaanse priesters namen gregoriaanse muziek op, maar doorheen de religieuze klanken hoorden ze stemmen van overledenen. Ze wendden zich tot paus Pius 12 die tot hun grote verwondering het fenomeen ernstig nam en zelfs aandrong op verder onderzoek omdat dergelijke feiten het geloof in het hiernamaals zouden bevorderen. De kerk speelde inderdaad een belangrijke rol in het bestuderen van die stemmen, want de Vaticaanse universiteit onderzocht het grondig.  

Maar tot een eensluidende conclusie kwam het niet. Het Vaticaan bleef zwijgen. Toen zetten twee parapsychologische zwaargewichten hun schouders onder het fenomeen: Hans Bender en Konstantin Raudive. Hans Bender (1964—1970) was als psycholoog werkzaam aan de universiteit van Bonn, later aan die van Freiburg. Maar daarvoor was hij in samenwerking met de nazi’s op zoek naar paranormale vermogens. Enerzijds moest hij dit met een detentie in een Brits kamp bekopen, anderzijds leverde hem die samenwerking attitudes op die gunstig waren voor zijn verder parapsychologisch onderzoek. Hij was zelfzeker en niet afkerig om tegengestelde meningen te verkondigen om zijn tegenstanders om de tuin te leiden. Hij nam contact op met Jürgenson en samen met Raudive deed hij baanbrekend onderzoek naar het stemmenfenomeen. Jürgenson had ontdekt dat via het geruis op een radio (tussen twee posten) ook stemmen te horen waren. Zo gaf zijn overleden vrouw hem instructies voor het koken. Bender wist maar al te goed dat dergelijke informatie enkel de lachspieren van sceptici in werking stelden. Daarom ontwierp hij de hypothese dat alle opgenomen stemmen via telekinese van de proefpersonen op de band terecht kwamen. Alhoewel sceptici het bestaan van telekinese verwierpen was een dergelijke hypothese toch iets verteerbaarder. Toen nodigde hij wetenschappers uit van het gezagvolle Max Planck instituut in München die prompt beweerden dat het fenomeen niet op natuurlijke wijze kon verklaard worden. Toen wisselde hij het geweer van schouder en stelde dat hij nu onweerlegbaar het stemmenfenomeen bewezen had. Sceptici waren echter niet overtuigd en bleven stellen dat men slechts hoorde wat men wilde horen, immers de stemmen werden meestal niet onmiddellijk herkend. Een wel krachtig argument.      Technisch bij de eerste proeven werd een bandrecorder met een microfoon verbonden. Later werd de microfoon door een diode vervangen, een verbeterde versie noemde men een psychofoon. Met dit toestel zou Raudive (Bender was intussen overleden) naar Londen trekken. Raudive (1959 -  1971), Letse schrijver, overtuigd katholiek, had een totaal andere persoonlijkheid. Hij was idealistisch, vertrouwde bijna iedereen en koesterde dikwijls valse hoop. Hij was voorbestemd om een grote desillusie op te lopen. Samen met Bender nam hij meer dan 100.000 stemmen op. Zijn grote droom was dan ook het stemmenfenomeen officieel bevestigd te krijgen door de Londense Society for Psychical Research (SPR), waar zich de wieg van de parapsychologie bevond. Net als Bender was hij ervan overtuigd het definitief bewijs van het stemmenfenomeen geleverd te hebben. Dit schreef hij in 1971 in zijn boek dat hij wat voorbarig de titel “Breakthrough” (doorbraak) meegaf. Dit jaar trok hij vol hoopvolle verwachting richting Londen. Een eerste tv interview verliep succesvol: de presentator herkende de stem van zijn moeder op band. En dan kwam de fameuze ontgoocheling: de SPR toonde niet de minste belangstelling voor het stemmenfenomeen. Men sprak zelfs over een gevaar, indien een gecommercialiseerde psychofoon in handen van de jeugd zou vallen kon dit tot een verwerpelijk contact met de lagere astrale sferen leiden. Angst voor demonen (een klassiek fundamentalistisch standpunt) belemmerde opnieuw wetenschappelijk onderzoek. En inderdaad, zowel de anglicaanse kerk als de Engelse katholieke kerk beklemtoonden dat de inhoud van de boodschappen van de stemmen in schril contrast stond met hun dogmatische standpunten. De houding van de Engelse katholieke kerk kwetste Raudive enorm. Dit jaar stierf hij dan ook ontgoocheld. Enkele volgelingen zetten echter het onderzoek verder. De psychofoon werd vervangen door een computer en de resultaten leken verbluffend. Maar een computer kan gehackt worden. Hetgeen gebeurde. De onderzoeken werden stopgezet. Althans officieel. Daarmee werd ook het parapsychologisch onderzoek naar leven na de dood ten grave gedragen. De ziel ging letterlijk ter ziele. Maar het stond in de sterren geschreven dat er zich iets nieuws zou aandienen. En toen, als een plots verschijnende komeet aan de sterrenhemel kwam Ian Stevenson die de poort opende naar veel belovend nieuw onderzoek naar reïncarnatie. Maar ook die poort bleef niet open.

 

 Wordt vervolgd.

 

 

Tekst: Corry Geijsen                                                                                         Illustraties: Patrick Coucke