2. Reïncarnatie

 

           In het bestrijden van het geloof in paranormale verschijnselen beschikken de sceptici over twee belangrijke strategieën: de methodologische en de principiële kritiek. Het eerste bezwaar betreft het gebrekkig gevoerd onderzoek, de tweede kritiek is van filosofische of metafysische aard. Of soms wordt het platvloerser in de zin van: aangezien er geen paranormale fenomenen bestaan hoeft er voor het onderzoek ervan geen nutteloos belastinggeld betaald te worden. Dit laatste argument gaf de doodsteek aan het subsidiëren van baanbrekend onderzoek van de Nederlandse parapsychologie. De vader van de ernstige principiële kritiek is ongetwijfeld de 18de -eeuwse Duitse filosoof Immanuel Kant. Hij redeneerde ongeveer als volgt (Kritik der reinen Vernunft): alles wat tot het bovennatuurlijke behoort ressorteert onder das Ding an Sich. Hierover kan geen enkele ontologisch verantwoorde uitspraak gedaan worden, want als we dit als mens toch proberen te doen plaatsen we het bovennatuurlijke onmiddellijk in onze aangeboren kennisvormen. (aanschouwingsvormen en categorieën) waarvan de belangrijkste zijn: ruimte, tijd en causaliteit (oorzaak en gevolg). 

Bij metafysische uitspraken leren we dus enkel iets over de manier waarop we dit voor ons ontoegankelijk terrein inkapselen. Een gemakkelijke prooi ter ondersteuning van zijn theorie vond Kant (traüme eines Geistersehers) in zijn tijdgenoot Swedenborg, een Zweedse ziener die via visioenen nauwkeurige uitleg verschafte over de hemel (hiernamaals). Hij schreef gedetailleerd hoe het er daar aan toeging en wat er te beleven viel, van de mooie concerten die er te beluisteren waren, de gezellige huisjes waarin gewoond werd en de gemakkelijke manier om van zijn partner te scheiden. Uiteindelijk transformeerde iedere afgestorvene tot een engeltje of een duiveltje. Gelukkig geloofde Swedenborg niet in reïncarnatie, want Kant zou de ziener nog meer door de modder gehaald hebben. Want het geloof in reïncarnatie is nu juist het meest geschikte terrein waarop de Kantiaanse kritiek zich kan uitleven: men is afwisselend een tijd hier op aarde en in het hiernamaals (ruimte en tijd) en via karma is er een ethisch causaal verband (oorzaak en gevolg) tussen de diverse beleefde levens op aarde. Dit is meer dan waarschijnlijk de oorzaak dat aanvankelijk alle parapsychologen neerbuigend schreven over de hypothese van reïncarnatie, met Tenhaeff als voorbeeld.                                                                                                                             

Toen Tenhaeff in de dertiger jaren (vorige eeuw) zijn eerste visie van “het spiritisme” schreef was er maar één werk over reïncarnatie  zeer bekend, reeds verschenen in 1901 “des Indes à la planète Mars” door de Zwitserse psycholoog Flourny. Het handelt over het medium Hélène Smit die beweerde zich reïncarnaties te herinneren van een Indische prinses en van Marie Antoinette. Tijdens uittredingen zou ze de planeet Mars (een primeur!) bezocht hebben. Als Tenhaeff een nieuw onderwerp aansneed maakte hij eerst een filosofische verkenning. Maar hier maakte hij onmiddellijk wrakhout van de beweringen van Hélène. Hij verwierp alles als “dramatische splitsing van de persoonlijkheid”, verwijzend naar de oorspronkelijke betekenis van drama: toneel. Hij beschouwde het onderbewustzijn van de meeste mediums als een perfecte toneelregisseur die het medium, onder meer via vergeten herinneringen (cryptomnesie) afgesplitste persoonlijkheden opdringt die abusievelijk als overleden entiteiten of vorige levens worden geïnterpreteerd. Waar Tenhaeff in zijn “het spiritisme” de deur voor de mogelijkheid van een voortbestaan na de dood op een wel brede kier zette, sloot hij hier de deur krachtig en stak die sleutel op zak, want hij duldde geen tegenspraak. Vele jaren later, in september 1968 namelijk, haalde hij die sleutel weer boven en zette ook de deur voor het geloof in reïncarnatie eveneens op een brede kier. Te Freiburg had hij namelijk de elfde jaarlijkse conventie van de parapsychological association bijgewoond en kennisgemaakt met het baanbrekend werk van Stevenson, over onderzoek naar reïncarnatie. Een beloftevol nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van de parapsychologie brak aan.  

           Ian Stevenson

 

Ian Stevenson (1918 - 2007) was psychiater aan de universiteit van Virginia. Reeds in de jaren ‘50 was hij geïnteresseerd in kinderen die beweerden dat ze herinneringen aan vorige levens hadden. Hierover publiceerde hij het artikel “the evidence for survival from claimed memories of former incarnations”. Dit wekte de belangstelling op van de schatrijke Chester Carlton, de uitvinder van de Xerox kopieermachines die hem prompt een enorm bedrag overhandigde om wereldwijd op zoek te gaan naar dergelijke kinderen. Vanaf 1961 reisde hij dan ook de wereld rond, voornamelijk naar oosterse landen (India, Libanon, Thailand ….), maar ook naar Brazilië. Zo verzamelde hij meer dan 2500 gevallen van kinderen (tussen 3 jaar en de leeftijd van het volgen van lager onderwijs) met herinneringen aan vorige levens.     

In 1966 verscheen dan ook zijn  ophefmakend boek (meteen een veel vertaalde bestseller) twenty cases suggestive of reincarnation. Een wel zeer beperkte keuze dus. Aangezien de meeste parapsychologen de reïncarnatiehypothese niet aanvaardden zocht hij eerst naar alternatieve verklaringen (dat maakte zijn werk niet zo vlot leesbaar) en voerde zelfs een nieuw begrip in: Super ESP (buitenzintuiglijke waarnemingen). Aangezien bijna altijd de periode tussen het huidige en vorige bestaan relatief kort was,

waren er nog altijd mensen in leven die op de hoogte waren van gegevens van het vorige leven. Onbewust zou dan het kind via ESP die gegevens binnenhalen om zich daarna te identificeren met een volslagen onbekende overledene. Hij vond dit onwaarschijnlijk en veel te ingewikkeld en schakelde dan maar over naar reïncarnatie als verklaring. Uiteraard volgden de sceptici hem niet. Een klassiek geval: In India herinnerde Ravi Shankar (6 jaar) zich in een vorig leven op wreedaardige wijze (door scheermes) te zijn vermoord. Dit kon geverifieerd worden: het betrof een eveneens zesjarige jongen (Munna Prasad) uit de omgeving die wegens een erfeniskwestie door twee buren (een wasbaas en een barbier) de hals werd overgesneden. De huidige jongen was bang van wasbazen en barbiers en toen hij drie maanden oud was merkte zijn moeder een lijnvormig aangeboren merkteken aan zijn hals op. Hier meende Ian de weg gevonden te hebben naar het definitieve empirische bewijs voor reïncarnatie. Hij spitste zich toe op geboorteafwijkingen of moedervlekken van kinderen die overeenkomst lijken te vertonen met dodelijke verwondingen uit een vorig leven. Hij zocht en vond dikwijls medische verslagen over de aard van de opgelopen verwondingen en stelde een opmerkelijke overeenkomst vast. Nu geloofde hij steevast in reïncarnatie. Een voorbeeld. Een Turkse jongen herinnerde zich een vorig leven als crimineel die door de politie door het hoofd werd geschoten. Bij een napluizen van een medisch dossier vond hij een treffende overeenkomst tussen de plaatsen op de schedel waar de kogel binnendrong en die weer verliet en twee moedervlekken op de schedel van de Turkse jongen. Hij maakte van dergelijke gevallen foto’s en projecteerde die tijdens voordrachten. Tenhaeff woonde een dergelijke voorstelling bij en wisselde het geweer van schouder, zijn cynisch scepticisme maakte plaats voor een (voorzichtig geuit) geloof in reïncarnatie. Te Freiburg ontmoette hij spijtig genoeg niet Ian zelf maar een collega die in zijn plaats presenteerde. In het tijdschrift voor parapsychologie uit 1968 bracht hij hier uitgebreid verslag van uit. En deze maal begon hij wel met een filosofische benadering en deelde ons mee dat zowel Griekse filosofen (o.a. Plato en Pythagoras), de kerkvader Origenes als filosofen tijdens de renaissance in reïncarnatie geloofden. Na een voor hem zeer positieve benadering besluit hij onder meer: Dat dit op zichzelf als zeer belangrijk moet worden aangemerkt behoeft wel geen betoog. Wij kunnen slechts hopen dat de onderzoekers op de ingeslagen weg voortgaan en dat anderen hem daarbij zullen vergezellen. De sceptici deelden dit enthousiasme hoegenaamd niet. Integendeel, ze beschouwden Stevenson als een goedgelovig iemand die koortsachtig op zoek was naar bewijzen die het niet waren en ook niet te vinden zijn. Dit verwijt trok hij zich blijkbaar erg aan want hij profileerde zichzelf als een gedegen, maar conventionele wetenschapper met echter vreemde belangstellingen. Voor iemand die zich het grootste deel van zijn leven met een onverdroten energie heeft ingezet om via de aanvaarding van reïncarnatie het wereldbeeld van de mensheid te veranderen is dit wel een zeer diepe kniebuiging voor de heren sceptici. Verder trok hij nog twee belangrijke conclusies die echter nooit vermeld werden in de vulgariserende boekjes over het paranormale: hypnose als middel om inlichtingen over vorige levens te verkrijgen is onbetrouwbaar en hij vond ook geen enkel bewijs, zelfs geen aanduiding voor het bestaan van karma.    Maar toch werd het geloof in reïncarnatie een hype in de zeventiger jaren van de vorige eeuw. Maar de markt hiervoor werd bijna volledig ingenomen door regressietherapeuten. Van enige vorm van verificatie was geen sprake. Dit kan bezwaarlijk met parapsychologisch onderzoek in verband gebracht worden. In een volgend artikel gaan we hier verder op in. Ondertussen raakte voornamelijk de Nederlandse parapsychologie in een diepe crisis. De opvolger van Tenhaeff (Johnson) schreef in zijn “parapsychologie” (iedere bladzijde getuigt van minachting voor die wetenschap) dat er de komende twintig jaar geen nieuw bewijsmateriaal tevoorschijn zou komen. Achteraf bleek hij meer dan gelijk te hebben. De parapsychologie was in een dood straatje terecht gekomen. Pas na 2000 kwam totaal onverwachts een sensationele doorbraak bij eerder eentonige experimenten in verband met telekinese op subatomair niveau, een ontdekking die ons traditioneel begrip over tijd volledig overboord gooide. Maar opnieuw vonden sceptici hun spreekwoordelijke stok om te slaan.

3. Telekinese of psychokinese.

 

           Rosenheim is een idyllische stad in Beieren. Door haar gezellige huisjes en natuurschoon lokt het vele toeristen die naar rust op zoek zijn. Dit pastoraal stadje werd in 1967 plots opgeschrikt door een reeks poltergeistfenomenen die zich in een advocatenkantoor afspeelden, maar enkel in aanwezigheid van een negentienjarige stagaire Annemarie Schaberl. Dus deze maal geen geesten, maar spontane telekinese. Een greep uit de wel indrukwekkende reeks feiten: schilderijen en lampen zwaaien heen en weer, zware meubels verplaatsen zich, lampen springen kapot, tl lampen draaien zichzelf los, telefoons rinkelen zonder dat er iemand aan de lijn is, enzoverder. Hans Bender (kennen we van het stemmenfenomeen) werd erbij

gehaald en opnieuw wou hij de sceptici voor zijn door specialisten van het gerenommeerde Max Planck instituut van München, in te schakelen. En opnieuw verklaarden die dat de fenomenen niet op natuurlijke wijze konden verklaard worden. Intelligente gecontroleerde krachten die de neiging hebben onderzoek te ontwijken … de fenomenen waren niet elektrodynamisch maar gewoon mechanisch gegenereerd. Oef, nu eindelijk een wetenschappelijk gefundeerd bewijs voor telekinese. Mis, want sceptici vonden hun hond om te slaan, een bediende in het kantoor zocht aandacht en veroorzaakte zelf enkele fenomenen. Bender intimideerde die man fel (Hans had wel een en ander geleerd door zijn samenwerking met de nazi’s -  zie vorig artikel). Conclusie van de sceptici: het onderzoek werd niet onbevooroordeeld gevoerd en we hebben tenminste één geval van bedrog ontdekt. Vaarwel definitief bewijs.                                               Onder druk van de sceptici met hun eis voor herhaalbare paranormale fenomenen in laboratorium omstandigheden met betrouwbare controlemechanismen schakelde men in de parapsychologie bijna volledig over van de kwalitatieve methode (spontane gevallen) naar de kwantitatieve (experimenten in een laboratorium). Met de bekende zenerkaarten - 5 geometrische figuren om ESP te onderzoeken - begon Rhine hiermede in de dertiger jaren. En toen werd het een kwestie van toevalsberekening. Bij zenerkaarten ligt bij 100 proeven de kans op toevalstreffers uiteraard op 20. Dan ontwierp men de beruchte standaarddeviatie of de bij toeval nog mogelijke afwijkingen (naar boven of beneden). Pas boven (of beneden) die SD mag je van significante resultaten spreken. In de zeventiger jaren werden artikelen en boeken over parapsychologie een hype. Er bleek een grote discrepantie tussen hetgeen er in de boekjes verscheen (die moesten verkocht worden!) en de objectieve verslagen zoals die o.a. in het tijdschrift voor parapsychologie werden vermeld. In de boekjes las men over fantastische resultaten waardoor paranormale vermogens met een verbluffende significantie bewezen werden, het oorspronkelijk verslag over die experimenten (werd door bijna niemand gelezen) vermeldde slechts dat verder onderzoek aanbevolen was. Sceptici stelden dan ook, soms heel terecht, zwaardere eisen. Relatief positieve resultaten deden zich enkel voor bij personen die klaarblijkelijk paranormaal begaafd waren, ook negatieve resulta-ten bij andere proefpersonen moesten mee ingecalculeerd worden: de meta – analyse. Bij verveling of gewenning bij de proefpersonen verslechtte het resultaat, dus moesten de proeven verlengd worden. De afwijking van SD moest groter zijn om als significant geduid te worden. Wel strenge eisen, waardoor significantie opmerkelijk afnam of verdween. Onderzoekers zoals Tenhaeff, die zweerden bij kwalitatief onderzoek, knarsetandend en vol heimwee verwezen ze naar spontane fenomenen. Nu richten we onze aandacht naar experimenteel onderzoek naar telekinese op subatomair niveau, want hier kwam plots een zeer grote doorbraak, die zelfs (aanvankelijk!) de sceptici met verbazing sloeg.

           Subatomaire telekinese

 

Vanaf eind jaren zestig werd de Franse bioloog Remi Chauvin in esoterische kringen bejubeld, want hij zou onomstotelijk bewezen hebben dat zelfs kinderen in staat waren subatomaire (kleiner dan het atoom) deeltjes te beïnvloeden en sterkte zo de new agers in hun geloof dat de mens zijn eigen wereld schept. Chauvin was een bekend bioloog die zich inzette om het dierenleed te verzachten en had grote belangstelling voor het paranormale. In 1964 ontwierp hij proeven met kinderen en jeugdige personen met een Geigerteller. De proefpersoon moest trachten het uiteenvallen van een uranium preparaat door wensen of willen te versnellen of te vertragen.De statische bewerking van de gegevens liet hij door een kernfysi-cus verrichten. Over zijn eerste proef (hier waren 7 personen bij betrokken) schreef hij zelf een verslag

in het tijdschrift voor parapsychologie. Slechts 2 personen scoorden zeer significant. Met toepassing van meta - analyse was die proef dus mislukt. Ik citeer hem: Is de teller psychokinetisch beïnvloed of het uraniumnitraat? Wij kunnen op deze vraag geen antwoord geven. Met nadruk willen wij er op wijzen dat wij met de publicatie van deze oriënterende proefnemingen geen ander doel hebben dan andere onderzoekers aan te moedigen om ook dergelijke proeven te gaan nemen. Wij wijzen er echter op dat onzerzijds nieuwe proefnemingen in voorbereiding zijn. Wel een eerlijke en zelfs nederige omschrijving van zijn eerste proefneming, in schril contrast tot de hoera benadering in populaire werken. Verdere proeven gaven bij blijkbaar paranormaal begaafde kinderen eveneens een afwijking van SD.   

De signifinantie werd verhoogd bij het geven van snoep ter motivering. Dan verscheen de energieke Helmut Smith ten tonele. Hij studeerde fysica in Duitsland en doceerde dit vak aan Amerikaanse en Canadese universiteiten. In de zeventiger jaren ontwierp hij voor parapsychologische experimenten de Random Number Generator (toevalsgetallen generator). Radioactief verval (desintegratie atomen) gebeurt op een onvoorspelbaar moment. In het toestel laat men een elektronische schakelaar tussen 0 en 1 heen en weer schieten (1 miljoen keer per seconde). Bij desintegratie van een atoom wordt het toestel automatisch stilgezet en is dan een 0 of 1 aangemaakt, waarbij een lampje (in of tegen de richting van de wijzers van een uurwerk, naargelang het 0 of 1 is) gaat branden. De lampjes vormen een cirkel. De proefpersoon moet nu “willen” dat de lampjes zich in één richting bewegen, hij moet dus trachten de desintegratie van ato-men te beïnvloeden.  Helmut was een bedreven wetenschapper die beslist zijn doel wou bereiken en nam dikwijls enthousiast ook deel aan proeven.  Door zijn koppig karakter wou hij hoegenaamd geen potten-kijkers die zijn proefnemingen kwamen controleren. Hij werkte jarenlang aan die experimenten en hij ontwierp toestellen met diverse variaties en streefde naar technische perfectie. Hij ging akkoord met meta - analyse en bij bijna alle proeven scoorde hij gemiddeld 1 à 2 procent boven de SD. Hij wekte zelfs bewondering bij de meeste sceptici, slechts enkelen hadden bedenkingen bij zijn soms vijandige houding t.o.v. controleurs en suggereerden de mogelijkheid van bedrog. En dan kwam er bijna bij toeval een verrassende ontdekking. Op het einde van de proef (als het resultaat in feite al vast stond, maar nog niet werd getoond) kon de proefpersoon (of de proefleider?) zonder het zelf te weten het toevalsproces beïn-vloeden. Het bleek dus mogelijk een willekeurig proces uit het verleden (althans bij die proeven, pas later zou men het veralgemenen) op een later tijdstip te beïnvloeden door iemands gedachten, indien deze niet op de hoogte is van het resultaat van dit proces. Een nieuw begrip was geboren: retro - actieve psycho-kinisie. Deze keer stapten de sceptici mee in het verhaal, want er werd een verband gelegd tussen die constatering en het wetenschappelijk aanvaard gegeven dat bij processen op subatomair niveau (het gebied van de quantumfysica) de waarnemer het proces bepaalt. Verdere proefnemingen en zelfs bereke-ningen vanuit hogere wiskunde bevestigden die ontdekking. Voor het eerst werd een brug geslagen tussen de exacte wetenschap en de parapsychologie. Maar een Amerikaans artikel waarin verregaande metafy-sische en zelfs praktische consequenties hieruit werden getrokken, was een brug te ver voor de sceptici. 

           Een artikel dat ophef maakte.

 

Bem is hoogleraar in sociale psychologie aan de Amerikaanse elite universiteit van Cornell (Ithaca - New York), op de lijst prijkend van de 15 beste universiteiten ter wereld. Hij was onder de indruk van de resultaten van de proeven in verband met telekinese en ontwierp zelf een aantal proeven, onder meer met het voorvoelen van emotioneel geladen afbeeldingen. Hij kreeg identieke resultaten en schreef in 2011 het artikel “Feeling the future” dat in de academische wereld het resultaat had van een tsunami die alle gevestigde waarden over het fenomeen tijd omver blies. Hierin stelde hij dat de opdeling van het begrip tijd in verleden, heden en toekomst in feite een illusie is, ontologisch bestaat enkel een eeuwig nu waarin dit alles samenkomt. En hieruit trekt hij een verbazende conclusie: informatie uit de toekomst zouden

onze gedragingen in het heden kunnen beïnvloeden. Een dergelijke paradigma wijziging kon de academische wereld zich niet veroorloven. De universiteit van Cornell overwoog zelfs het artikel uit haar publicaties te verwijderen. Ook de sceptici haakten af.           

Filosofisch is nochtans het idee van een eeuwig nu niets nieuws. Reeds de middeleeuwer Thomas van Aquino stelde dat in de ervaringswereld van God de tijd als een eeuwig nu ervaren wordt, waarin inderdaad verleden, heden en toekomst samensmelten. In de Thomistische theologie was dit echter aan de mens niet besteed. De 18de - eeuwse filosoof en wiskundige (hij ontwierp de leer van de integralen en differentialen) Leibniz ging een belangrijke stap verder in zijn monadenleer. Monaden vormden de bestanddelen van de kosmos en waren in feite emanaties van God (invloed van de gnosis?). De monades waren hiërarchisch gerangschikt in lagere en hogere. De menselijke ziel was zo een hogere monade waarin de tijd zich manifesteerde als een eeuwig nu zonder onderscheid tussen verleden, heden en toekomst. In de glorietijd van de Nederlandse parapsychologie deed zelfs Tenhaeff beroep op de filosofie van Leibniz om het fenomeen van de voorschouw in te kaderen. Tenhaeff en zijn volgelingen werden wel eens de Utrechtse school genoemd wegens hun filosofische benadering die nauw bij de fenomenologie aansloot. Edmund Husserl (1859 - 1938), de bedenker van de fenomenologie, was trouwens de laatste westerse filosoof die net zoals Plato lang voor hem op zoek was naar een kosmische visie. Nu wordt naar Leibniz nog enkel verwezen, zelfs op poëtische wijze, in overzichten van de filosofie, zoals in het onlangs verschenen magistrale werk “de geschiedenis van de filosofie” van Grayling. Maar als uitkomsten van parapsychologisch onderzoek de zienswijze van Leibniz lijken te bevestigen, steigeren de academici en de sceptici en wordt alles categoriek afgewezen. 

Epiloog: tussen 2 boeken

Mijn kort overzicht slingert zich tussen mijn eerste en laatste boek dat ik las over parapsychologie. Het eerste (“hoofdstukken uit de psychologie”) vermeldde ik reeds, het tweede is een must voor iedereen die in deze wetenschap geïnteresseerd is; “wetenschap van gene zijde - “geschiedenis van de Nederlandse parapsychologie” door Ingrid Kloosterman. Hieruit haalde ik heel wat informatie. Alluderend naar een 

bekende historische film zou een eventuele Engelse vertaling het best luiden: rise and fall of the Dutch empire of parapsychologie. Kloosterman is een wetenschapshistoricus en promoveerde in 2016 op de geschiedenis van de Nederlandse parapsychologie. Het beste hieromtrent dat ik ooit gelezen heb met heel wat verrassende inside informatie. Steeds blijft ze objectief en keurt niets af of laat nergens voorkeur blijken. In tegenstelling tot mijn negatieve benadering van de sceptische beweging vermeldt ze ongenuanceerd hun standpunten. Veel aandacht gaat uiteraard naar de romantische idealist ((zo kun je hem het best omschrijven) Tenhaeff die ik ook als rode draad in mijn (subjectief!) verhaal gebruikte. Hij was er zelfs van overtuigd dat de parapsychologie later als basiswetenschap filosofie en theologie zou overkoepelen. Zeer boeiend is haar relaas over de opvolgers van Tenhaeff en de uiteindelijke neergang van de parapsychologie, zelfs internationaal. Ik kan me vergissen, maar ik meen toch bij haar een verborgen liefde voor de parapsychologie te ontwaren. Nogmaals, warm aanbevolen lectuur. 

 

 

Tekst: Corry Geijsen                                                                                         Illustraties: Patrick Coucke