12. ENKELE BEDENKINGEN BIJ DE           NIEUWE EVANGELISATIE

 

Il papa heeft het bevolen en zijn trouwe dienaar Leonard zal alles hiervoor in België regelen: de nieuwe evangelisatie van het westen.

Het woord evangelie roept bij mij nare herinneringen op uit mijn humaniorastudententijd: een moeilijk te kaften en lelijk prismaboekje, de tekst voorzien van talrijke voetnoten waarbij men zich in haarscherpe theologische bochten wrong om toch maar aan te tonen dat Christus' uitspraken verband hielden met kerkelijke sacramenten en het instituut zelf van de kerk.

Talrijke dergelijke, ellenlange uitspraken moesten we voor de godsdienstles van buiten leren. Intuïtief voelde ik aan dat een en ander niet klopte en stelde dan ook beleefd de vraag: Eerwaarde, waarom heeft men het telkens over het evangelie volgens en niet het evangelie van? De priester keek me met een boos-kritische blik aan maar gaf me toch een eerlijk antwoord dat voor mij echter het definitief afscheid van de evangeliën inluidde "de evangeliën werden niet door de 4 evangelisten geschreven, maar later door auteurs die door de werking van de heilige geest alles in visioenen zagen gebeuren zoals de echte evangelisten het meemaakten".

Onder leerlingen werd wel eens gefluisterd dat er een door de kerk verboden evangelie bestond waarin alles naar waarheid werd verteld. Dit bleek later de statenbijbel te zijn, toen enkel bij de protestanten in gebruik.  

Over de apocriefe evangeliën hadden we nog nooit gehoord, er werd hierover ook met geen woord in de godsdienstlessen gerept. Later heb ik me een tijdje gelaafd aan de zuiver geachte christelijke bron van de Nag Hammaditeksten, maar achteraf bleken die geschriften in hetzelfde bedje ziek als de officiële evangeliën, nog zwaarder ziek zelfs, want ze zijn recenter (met uitzondering van het Thomasevangelie). Gnostici uit de tweede eeuw hebben hierin hun eigen inzichten uit de mond van Christus laten komen.

Nu wordt algemeen aanvaard dat de gecanoniseerde evangeliën enkel een geloofsboodschap willen brengen, in overeenstemming met de bekeringsijver tijdens de wel ongemeen snelle verspreiding van het christendom rondom de Middellandse Zee en dit vooral onder impuls van Paulus.

Biografische en historische vermeldingen in die geschriften zijn dikwijls tegenstrijdig en onbetrouwbaar. Trouwens, biografische gegevens over Jezus waren opzettelijk in overeenstemming geschreven met mythologische opvattingen die toen maar al te bekend waren in de antieke cultuur.

Verhalen over Jezus' geboorte waren gejat uit overleveringen in verband met de geboorte van HOrus (zoon van Isis) en Mithras, ook de Egyptische vruchtbaarheidsgodin Isis werd bevrucht door een goddelijke ingreep en bleef maagd, van ondermeer Dionysus en Attis (zoon van de Aziatische moedergodin Cybele) werd beweerd dat ze drie dagen na te zijn gedood weer uit de dood verrezen. Attis werd zelfs gekruisigd. Er was weinig of niets nieuws onder de zon, enkel de vlotte en boeiende manier waarop dit alles werd verteld was nieuw. Die snelle verbreiding van het pas ontstane christendom bewijst maar al te duidelijk de efficiëntie van de evangeliën die later gecanoniseerd werden (dit begon bij Irenaes rondom 170).

Blijft echter een cruciale hamvraag over: als enerzijds de evangeliën geen biografieën zijn en enkel dienden om een welomlijnd en strak gedefinieerd geloof aan de massa te verkondigen, en anderzijds de gnosisevangeliën ook niet de oorspronkelijke leer van Christus weergeven, waar kunnen we dan ons licht opsteken om de ware leer van Jezus te ontwaren? Jezus heeft zelf niets geschreven, de evangeliën zijn pas tussen 70 en 150 na Chr. te boek gesteld in het Grieks.

Volgens mij zijn de joodse christenen, de Ebionieten, die aanvankelijk Christus persoonlijk kenden het meest betrouwbaar. 

De vergeten leer der joodse christenen.

 

Ebionieten is één der namen (een andere is Nazoreeërs) voor de jodenchristenen, afgeleid van het Hebreeuws voor armen: ebjonim, een eretitel. Na de vernietiging van Jeruzalem door Titus, weken ze uit naar het oosten van de Jordaan. Daar ontstonden ook de Elkesaieten.

Ze schreven elk hun evangelie, hevig bestreden door de kerkvaders die hun geschriften vernietigden omdat ze te gevaarlijk werden geacht. Hun leerstellingen kunnen we dan ook enkel afleiden uit de intense bestrijding ervan door de kerkvaders (o.a. Epiphanius die fragmenten uit hun geschriften aanhaalt). We vatten hun beweringen in een zestal punten samen en gaan tevens op zoek naar een mogelijke weerslag, hoe vaag ook, in de evangeliën ( en de handelingen der apostelen).We wijzen er wel op dat die geschriften pas in de 2de eeuw zijn ontstaan, maar m.i. betrouwbaarder zijn dan de evangeliën omdat ze teruggaan naar getuigenissen van joodse christenen die jezus persoonlijk hebben gekend. 

 

    1. Jezus werd als een mens verwekt door Jozef en ontvangen door Maria. Het Mattheusevangelie begint met het geslachtsregister van Jezus, eerst tot David, daarna tot Abraham: "Jakob verwekte Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus geboren is." Logisch, want de afstamming, zo belangrijk voor de joodse status van Jezus, komt in het gedrang wanneer de heilige geest als hemelse bevruchter tussenkomt.

 

     2. Jezus werd pas de zoon van God door zijn doop in de Jordaan door Johannes de Doper toen de heilige geest in hem binnenging en zijn menselijkheid met een hemels wezen verenigde. Jezus werd dus pas Christus na die doop. Handelingen 37 (over de doop in de Jordaan): "dat God hem en tot Here en tot Christus gemaakt heeft". Dit punt vormt de hoofdmoot van het esoterisch christendom waarin Johannes de Doper op zijn minst evenwaardig aan Christus wordt beschouwd.

 

     3. Christus verliet de mens Jezus voor zijn dood. "Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten". Deze uitspraak is alom bekend. Na de kruisdood verspreidde de goddelijke kracht zich over enkele trouwe volgelingen waardoor ze tot mirakels in staat waren.

 

     4. Jezus behoorde tot een gezin met broers en zusters. Diverse verwijzingen zijn te vinden in de evangeliën. De kerk aanvaardt ze enkel als allegorische aanduidingen voor broers en zusters in de geest van Christus. Enkel de kerkvader Eusebius heeft het in zijn "geschiedenis der kerk" (derde eeuw) over biologische broers en zusters van Jezus. De Hebreeën (Egyptische joodse christenen) hechtten veel belang aanJacobus, de broer van Jezus die door hem aangesteld werd als leider van de christengemeenschap in Jeruzalem. Thomas, de tweelingbroer van Jezus, speelt dan een doorslaggevende rol bij de Thomaschristenen in India.

 

  5. Zijn leven had een voorbeeldfunctie. Iedereen heeft de mogelijkheid tot Godsrealisatie. Iedereen heeft de mogelijkheid Christus te worden. "Ook zal men niet zeggen: zie, hier is het of daar, want zie: het Koninkrijk Gods is in u". Dit lijkt in tegenspraak met punt 2, het gaat mier m.i. om een subtiele eenheid tussen een goddelijke kracht van buitenaf binnentredend en de realisatie van de godsvonk in de mens. In new-age kringen heeft men het dan over het Christusbewustzijn, maar in heel vage en dromerige termen.

 

     6. Als het voor de mensheid nodig is wordt Christus weer geboren. Dit benadrukten vooral de Elkesaieten. Niet te verwarren met de parousie of de terugkeer van Christus op het einde der tijden. In het Johannesevangelie wordt uitgebreid ingegaan op de Trooster, iemand die de Vader zal sturen om de mensen in moeilijke tijden bij te staan, en door de werking van de heilige geest in staat zal zijn Christus te evenaren. Heeft tot allerlei speculaties geleid, zo zien de moslims Mohammed als de aangekondigde Trooster. Hoe dan ook, later zal die hoopvolle verwachting naar een toekomstige entiteit vertaald worden door een geankerd kruis met 4 gelijke armen, zoals we het ondermeer bij de thomaschristenen aantreffen en veel later bij de tempeliers.

De eerste zogenaamde evangelisatie.

 

"Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping" (Marcus 16). Om deze kort en krachtig uitgesproken woorden enige vorm van geloofwaardigheid te geven, verzon men vrome verhaaltjes over apostelen die in de toenmalige bekende wereld aan evangelisatie deden.  Vroom, want er werd naar hartelust gedoopt en bekeerd. Een en ander, opgesmukt met mirakelen vond zijn weerslag in zowel de gecanoniseerde als de apokriefe handelingen der apostelen. Nu denkt men er anders over, overleveringen en legendes (we hebben het dan niet over de handelingen) zijn zo eensluitend en verspreid dat er wel een kern van waarheid moet in schuilen. Het stramien is steeds hetzelfde: apostelen en volgelingen van Christus wekten bewondering door hun mirakelen, maar stierven de marteldood door de jaloerse heersers van de verre rijken. Toegegeven, het is nog terra incognita in de vergelijkende godsdienstwetenschappen, maar het biedt onvermoede perspectieven. Wat deden bijvoorbeeld Simon de ijveraar en Mattheus de tollenaar in respectievelijk Perzië en Ethiopië (waar zich trouwens de ark bevond)? Vooral 2 apostelen genieten onze bijzondere aandacht: Thomas en Andreas. Thomas wordt in de evangeliën wat geringschattend behandeld als de ongelovige thomas die zijn handen in de wonden van de verrezen Christus als verificatie moest steken. In werkelijkheid was hij de tweelingbroer van Jezus die in esoterische geheimen werd ingewijd. Misschien werd die neerbuigende benadering ingegeven door pure jalozie van de andere leerlingen. Want hij samen met Maria Magdalena waren de enigen die maar al te goed begrepen wat het verrezen lichaam betekende. Hoe dan ook, Thomas zwierf tot in Indië (o.a. Madras) waar hij de g rondslag legde voor de Thomaschristenen. Ze legden de nadruk op mystiek en ascese, hadden een speciale verering voor Johannes de Doper en beschouwden Christus en Thomas als volledig inwisselbaar. Ze sloten zich oorspronkelijk, totaal los van Rome, aan bij de Assyrische kerk.

In de 16de eeuw stelde de aartsbisschop van de Portugese kolonie Goya alles in het werk om ze weer bij Rome te laten aansluiten, iets waar enkel de noeste pogingen van de jezuïeten in de 16de eeuw in slaagden.

 

De getuigenis van de apostel Andreas, broer van Petrus, is des te belangrijker omdat hij aanwezig was op het cruciale moment dat Jezus tot Christus werd verheven; de doop in de Jordaan. Hij was namelijk aanvankelijk een leerling van Johannes de Doper en pas later van Christus. Hij wordt ook als de eerst-geroepene der twaalf apostelen beschouwd. Het boek der handelingen der apostelen zwijgt over hem, omdat hij vlug na Christus' dood vertrok naar het afgelegen, wilde Scythië aan de Zwarte Zee. Daarna richtte hij zich naar het noorden, hij belandde voor zijn "evangelisatie" in het huidige Oekraïne en nog later werd hij in Novgorod, ter hoogte van Estland gesignaleerd. Wat Petrus en Paulus voor het westen waren,was Andreas voor het oosten.  Daarna keerde hij naar Griekenland terug waar hij te Patras op de Peloponnesus aan een gelijkbenig halfgekanteld kruis ter dood werd gebracht: het overbekende x-vormig andreaskruis. Hij wordt beschouwd als de stichter van de byzantijnse kerk. Als eerbetuiging aan hem is onder de dwarsbalk van de orthodokse kerken een kleine schuine dwarsbalk te zien, als symbool van het andreaskruis.

In de leer van de orthodokse kerk wordt de genade van het geloof steeds gekoppeld aan de toets van het verstand. In sommige erediensten is het zelfs toegestaan te discussieren volgens de regels van de klassiek Griekse dialectiek.

Het is alsof het geloof de ratio uitnodigt om met haar deductie de geloofsge

heimen te ontsluieren. Trouwens, het andreaskruis is het symbool bij uitstek van het esoterisch christendom waar het staat voor lux of licht, de ware verlichting. Zelfs in de wiskunde staat de x nog steeds voor het onbekende. Ook in deiktenchristelijke schilderkunst van de renaissance gebruikten de ingewijde kunstenaars het x-teken om een verborgen esoterische boodschap te brengen.

 

Tenslotte nog dit. Voor de geschetste periode van het prille christendom is dit alles nog hypothetisch, enkel om stillistische redenen gebruikte ik niet de voorwaardelijke wijs. Aangezien er nog geen evangeliën waren of die nog werden samengesteld zet ik de term evangelisatie wel eens tussen aanhalingstekens. 

Van Jeruzalem naar het oosten de andere evangelisatie

 

Bij de aanvang van het christendom had iedereen zo zijn of haar eigen mening over de verhoudingen tussen de vader, de zoon en de heilige geest, de 3 protagonisten van de drie-eenheid. Daarover werd vinnig gediscussieerd, hierom werd bloedig gevochten en ongenadig vermoord. Ook de Griekse theoloog Nestorius had zo zijn eigen mening, een heel groot verschil tussen de menselijke en goddelijke natuur van Christus. Hij werd dan ook via het concilie van Efeze (431) als ketter veroordeeld. Dit had enorme consequenties want zijn aanhangers, de Nestorianen ontplooiden een enorme missionaire activiteit in het oosten. Eerst rondom de Kaspische Zee, later nog meer oostwaars naar Mongolië, Tibet, zelfs tot in China, dan zitten we reeds in de 7de eeuw. Later werden ze de Syrische of Assyrische christenen genoemd. Wegens hun in oorsprong ketters karakter ontwikkelden ze leerstellingen totaal los van Rome. Philip Jenkins schreef met zijn "het vergeten christendom" een magistraal werk, een echte eye-opener over die uiterst belangrijke evangelisatie naar het oosten en naar Afrika ( de koptische kerk in Egypte, de Ethiopische christenen).

Historisch, numeriek en inhoudelijk vindt hij die evangelisatie even belangrijk, misschien  zelfs belangrijker dan de alom gekende bekeringsweg van Jeruzalem naar Rome, voornamelijk uitgestippeld door Paulus (in een volgend artikel gaan we hierop in). Jenkins behandelt zeer grondig de vervolgingen die deze "vergeten christenen" hebben moeten verduren van de islam na de veroveringen van de Mongool Timoer Lenk die zich tot de islam bekeerde.

Daarvoor stelden de moslims zich voorbeeldig verdraagzaam op. Allemaal historisch correct en interessant, maar daardoor raakt de hoofdzaak een klein beetje in de verdrukking. Hij gaat maar eenmaal in op het essentieel verschil tussen de evangelisatie naar het westen en die naar het oosten. Bij de westerse evangelisatie ligt de klemtoon volledig op God die in Christus mens werd, de oosterse, meer mystieke weg leidt naar de mens die door navolging van Christus god wil worden. In de oosterse literatuur over die mensen die streven naar een goddelijke status (voornamelijk door ascese) krioelt het dan ook van de mirakelen. Het is alsof  ze tijdelijk bevrijd worden van de dwingende wetmatigheden van de stoffelijke wereld.  Een tijdelijke of blijvende bevrijding van de natuurwetten lijkt hun doelstelling te zijn. Dit werpt m.i. een totaal nieuwe en verfrissende kijk op het tot cliché vervaagde theologische begrip van Christus als onze verlosser. Maar zo zal de door papa Benedictus georkestreerde evangelisatie het niet bedoeld hebben.

 

 

Tekst: Corry Geijsen                                                 Illustraties: Patrick Coucke