De Portas Ganda aan de samenvloeiing (Ganda is er het Keltisch woord voor) van Leie en Schelde is nu één van de paradepaardjes van Gent. Vanaf een parkje boven het water, in de vorm van de boeg van een schip, kan men de jachten bewonderen, ook in de omgeving van de

Machariusparochie is het gezellig wandelen en vertoeven : nieuwe of leuke gerestaureerde huisjes zijn omgeven door uitnodigend groen,ook de Machariuskerk kreeg uitwendig een knappe opknapbeurt.

De ruïnes van de abdij (enkel te bezichtigen op zondagnamiddag) liggen er vredig bij in hun ideale omgeving.Eenmaal was het totaal anders, ik spreek dan over de jaren vijftig van de vorige eeuw. Die parochie was een uiterst grauwe arbeiderswijk. 

Wanneer het er veemarkt was (de beestenmarkt is nu vervangen door een sociale woonwijk) verdrongen de stank van het vee de walm van de gore beluiken waar sjofel geklede vrouwen dikwijls met een dik buikje of een blauw oog rondliepen, soms met beide. Mijn meter en neef Walter woonden er in de Kazemattenstraat (in hun oeroude huis waren nog overblijfselen van stallingen van Spaanse soldaten) en ik bracht er soms dagen van mijn vakantie door. We dwaalden door de enge straten en staken er kattekwaad uit. Vooral de gedeeltelijk ommuurde Sint-Baafsabdij prikkelde mijn verbeelding. Die oude muren moesten een verschrikkelijk geheim verbergen. Soms bekroop me er een onverklaarbare angst. Mijn nuchtere neef Walter, gespeend van iedere verbeelding, lachte me uit: Corry, je hebt weer te veel van je dwaze strips gelezen, ik heb het gezien, hierbinnen liggen slechts lelijke oude stenen. Na al die jaren wil ik nu juist eens die onnozele stenen van enkele van hun geheimen laten onthullen.

Hulda besluit wraak te nemen.

In de 7de eeuw woonde rondom die samenvloeiing, in feite de bakermat van de stad Gent, een Germaanse, Frankische stam. Er bevond zich daar, door de nabijheid van veel water, een heiligdom ter ere van de godin Hulda. Men geloofde dat de zielen van de ongeboren kinderen,dus zij die op het punt stonden te reïncarneren, zich in het water bevonden. Maagdjes die lang genoeg in de waterspiegel staarden, konden zo het gelaat van hun toekomstige bruidegom ontwaren. Maar toen kwam in hun wereld een spelbreker in de persoon van Amandus, die in opdracht van de merovingische koning Dagobert 1 vanuit Aquitanië onze streken moest kerstenen. Hij verweet de bewoners dat ze zich aan afgoderij bezondigden en het ware christelijk geloof moesten aannemen. Men gooide hem prompt in de Schelde, maar hij kon zich zwemmend redden.

Honderd jaar later zal men beweren dat die redding miraculeus was. Maar het honderd jaar later neergeschreven levensverhaal van Amandus, de "Vita Amandi" is onbetrouwbaar. Amandus kwam echter weer, deze keer vergezeld door soldaten van koning Dagobert. Het Germaans heiligdom werd afgebroken. Op dit moment besloot Hulda, vanuit haar parallelle godenwereld wraak te nemen, hiervoor had ze als godin letterlijk alle tijd van de wereld.

Honderd jaar later zal men schrijven dat de Franken zelf hun heiligdom afbraken nadat Amandus een gehangene tot leven zou hebben gewekt. Op die plaats bouwde Amandus een kleine kapel, later met een monasterium aangevuld. Dit zou zich dan tot de bekende Sint-Baafsabdij ontplooien. De nog later gebouwde imposante vijfbeukige kerk, ooit één van de grootste van Europa, werd een schitterende en  onvervangbare parel aan de kroon van de kerkelijke Romaanse bouwkunst. Bijna onvervangbaar, want op die unieke parel zou veel later Hulda haar wraakpijl richten.

Focus op Jerusalem

Vanaf de aanvang deed er zich een opmerkelijke ontwikkeling voor in de abdij, men richtte zich hoofdzakelijk naar Jeruzalem en niet naar Rome. De abdij huisvestte 24 paters, een duidelijke verwijzing naar de 24 oudsten uit de apocalyps die Christus (als majestas domini) zouden bijstaan om vanuit het uit de hemel nedergedaalde Jeruzalem theocratisch te regeren. Dit is ook de reden dat er 24 verdedigingstorentjes zijn in de omwallingsmuur van het Gravensteen, in feite een duplicaat in het klein van het befaamde Crac des Chevaliers, het kasteel van de johannieters nabij Damascus. 

Daarenboven werden de monniken in de tuin begraven met hun voeten naar het oosten, zodat ze bij de verrijzenis naar Jeruzalem zouden kijken. Ook de grote refter, het enige dat overeind is gebleven van het gebouwencomplex moest aan de oorspronkelijke 24 de illusie geven dat ze deelnamen aan het laatste avondmaal te Jeruzalem. En de palmstruik bij het Lavatorium verwijst naar de palm die Christus bij zich droeg bij zijn intrede in Jeruzalem. Neen, alle wegen vanuit de Sint-Baafsabdij leidden niet naar Rome, maar wel naar Jeruzalem. 

Door die oriëntatie konden zich, m. i. alternatieve vormen van het christendom ontwikkelen, door het intolerante Rome steevast als ketterijen bestempeld. Een grote rol hierbij speelde een geheimzinnige man die omstreeks het jaar 1000 aan de abdij aanklopte. Over zijn herkomst en identiteit is men het hoegenaamd nog niet eens.

Naam: Macharius; Functie: bedrieger, esotericus of heilige. Je mag zelf kiezen. Maar eerst keren we nog eventjes terug in de tijd.

Intermezzo: de Vikingen komen ... vlucht naar Laon.

Nu volgt een zeer merkwaardige periode waar de meeste historici met een brede boog omheen gaan, omdat bijna alle bronnen hierover verdwenen (lees maar vernietigd) zijn. Tijdens het Karolisch bewind van Lodewijk de Vrome (zoon en opvolger van Karel de Grote) in de 9de eeuw verandert het statuut van de monniken van de abdij (reguliere geestelijken) naar dit van seculiere kanunniken (parochiale geestelijkheid, inderdaad als kanunniken in een kapittel verenigd). Dit deed hij hoogstwaarschijnlijk om hen gunstig te stemmen en ze zo meer aan zich te binden. Het had wel een enorme consequentie voor de vroegere monniken die ze maar al te gretig aanvaardden: ze mochten huwen (het celibaat werd hun nog steeds als ideaal voorgeschoteld). 

En toen verschenen de gevreesde Vikingen te Gent. De juist benoemde kanunniken vluchtten met hun relieken (en nieuwe vrouwtjes) naar het Franse Laon, waar zij gedurende talrijke jaren graag verbleven. De Vikingen vestigden zich in de abdij en vereerden er hoogstwaarschijnlijk Germaanse goden. Hulda triomfeerde toch niet in haar godenwereld: de Vikingen waren haar te gewelddadig en de abdij moest in haar listig plan door de christenen zelf vernietigd worden. Laon was toen samen met Amiens een gekend intellectueel en theologisch centrum.

De monniken legden er intens contact met die intellectuelen, vooral met Johannes Scotus, wiens werken later als ketters werden gebrandmerkt. In 883 werden de Deense Noormannen door de Vlaamse graaf Boudewijn 2 verdreven en was de kust weer veilig voor de kanunniken.

Maar die bleven in Laon, zeker tot 930. Waarom bleven ze er zolang en waarom keerden ze uiteindelijk toch terug? Enkel speculaties hieromtrent. In elk geval, zij die schoorvoetend en met mondjesmaat terugkeerden kregen de strenge, ascetische regel van Benedictus opgelegd. Vooral het celibaat viel hen zwaar, ze morden of traden uit. En in 946 werden ze opnieuw reguliere geestelijken, dus benedictijnenmonniken.

Keizer Karel 5 zal hen later opnieuw tot kanunniken bombarderen, maar toen moesten ook de seculieren celibatair leven. 

Dit verhaal is voor later. En nu terug naar Macharius, omtrent het jaar 1000.

Wil de ware Macharius rechtstaan? - drie hypotheses.

1. De bedrieger.

 

Aan het woord (uiteraard beknopt weergegeven) is de bekende in 2002 overleden historicus Adriaan Verhulst tijdens een voordracht. Hij doctoreerde over de Sint-Baafsabdij en sindsdien werd hij beschouwd als de autoriteit over die Gentse abdij. In zijn studie werden de traditionele versies grondig gewijzigd. Ook zijn latere werken ademen een diep doorvoeld vrijzinnig humanisme.         "Rond het jaar duizend klopte een havenloos geklede bedelaar aan de poorten aan van de Gentse Sint-Pietersabdij en stamelde dat hij uit Antiochië kwam waar hij de functie van patriarch bekleedde. Men geloofde er geen jota van en joeg hem hardhandig weg.

Dan beproefde hij zijn geluk aan de Sint-Baafsabdij waar men hem binnenliet en eten aanbood. Er woedde toen een pestepidemie te Gent. De zogezegde patriarch van Antiochië voorspelde dat hij, indien hij in de abdij mocht blijven, als laatste aan de pest zou sterven. Toevallig (de professor genoot blijkbaar bij het duidelijk uitspreken van dit woord) kwam zijn voorspelling uit.

Hij werd prompt als een pestheilige gepromoveerd en zijn relieken legden de abdij geen windeieren". Tot daar de wat cynische benadering van de professor.

Stippen we nog aan dat in de middeleeuwen "patriarch van Antiochië" een eretitel was. Zowel in Jeruzalem als in Antiochië (het huidige Antalya in Turkije) ontstond het christendom met respectievelijk Jacobus, broer van Jezus, en Petrus als leiders van de eerste christelijke gemeenschappen. De latere rol van Petrus als eerste paus in Rome is historisch dubieus.

 

2. De esotericus.

 

Hier is "patriarch van Antiochië enkel een functie die in de loop der eeuwen door andere personen werd ingevuld. Het eerst las ik over die personen in "de geheime Newton", het magistrale werk over de occulte achtergronden van deze wereldberoemde natuurkundige door Geert Kimpen, ja, het broertje van de bekende diëtiste. Ofwel schreef hij enkel brieven, zoals in 1677 naar de Britse chemicus Boyle waarin hij alchemistische geheimen onthulde, ofwel verscheen hij ergens in levende lijve en bij het vertellen van een blijkbaar onzinnig verhaal verwees hij naar religieuze geheimen, want zijn taak bestond erin eenheid onder de godsdiensten te brengen. Volgens mij was het zo eentje die rond 1000 aanklopte aan de abdij. Hij wist te vertellen dat hij uit het oosten kwam, door de sarrazenen gevangen genomen die hem op dezelde manier als Christus wilden doden, maar het lukte niet. Hij bleef ongedeerd. Religieus achterliggend geheim: men kon Christus niet ter dood brengen omdat hij enkel een fijnstoffelijk lichaam bezat. Maar dit is dan loutere gnosis.

3. De heilige.

 

Vrome gelovigen van de fraaie Machariusparochie blijven hun heilige trouw (de bekendheid van die man blijft zeer lokaal) en dissen een verhaal op dat historisch zelfs plausibel is. Antiochus was een koning en veldheer uit Syrië uit de 3de eeuw en enkele steden zijn naar hem genoemd, zo ook een stad in het huidige Armenië. Hun heilige zou daar aartsbisschop geweest zijn en later zakte hij, mirakelen verrichtend af naar onze streken. Nu krijgt een gedeelte van het verhaal uit 2 een vroomkatholiek tintje. De moslims brachten hem inderdaad op dezelfde manier als Christus bijna ter dood. 's Nachts verschenen er engelen die de stervende man weer kerngezond maakten. De moslims die hem 's anderendaags wilden begraven bekeerden zich allen tot het christendom. Stichtelijk verhaal. 

Een fictieve heilige leidt de ondergang in.

Waar onze Macharius nog een persoon van vlees en bloed was is de Ierse zendeling Livinus een fictieve heilige. Zijn dubieuze , in feite pseudo-relieken zullen echter door een reeks irrationele gebeurtenissen m.i. de abdij naar de definitieve ondergang leiden. Het verhaal over de marteldood van de fictieve heilige is zo absurd dat het naar een andere gebeurtenis moet verwijzen. Oordeel zelf: Hij werd in 657 te Sint-Lievens-Essen vermoord: zijn tong werd uitgerukt, maar die groeide onmiddelijk weer aan. Zijn hoofd werd afgehakt, maar de onversaagde man slaagde erin nog te voet naar zijn verblijf in Sint-Lievens-Houtem te lopen, zijn afgehouwen hoofd onder de arm.         Enkele jaren geleden schreef ik in een artikel hierover een hypothese die wel wat ophef veroorzaakte. Volgens mij was er een vingerwijzing naar iemand die men onthoofd heeft, maar hem hierdoor het zwijgen opleggen hielp geenszins. Zijn ideeën bleven inspirerend verder leven, voornamelijk in het esoterisch religieus circuit. Ik dacht aan Johannes de Doper. 

Ik verwees tevens naar de beruchte stoeten van Sint-Lieven, waarvan de deelnemers spoedig de spotnaam lievenszotten kregen. In feite wou men tijdelijk de relieken van de heilige terugbrengen naar zijn begraafplaats te Houtem. Dit zou al vanaf de negende of tiende eeuw gebeurd zijn en die tochten gleden in de loop der tijden meer en meer af naar rasechte orgieën, tot Keizer Karel ze wegens hun verregaande zedenloosheid verbood. En nu komt mijn gewaagde hypothese die wel

eens kwaad bloed zette. Die uiterst rare gebeurtenissen, wel eens onder de mat der geschiedenis weggeveegd, waren volgens mij niets minder dan een rituele opwekking van Johannes de Doper (alias Livinus) uit de doden na drie dagen en nachten, in navolging van Christus. In feite een rituele vergoddelijking van Johannes de Doper en dit alles in de vorm van een Romeins bacchanaal: gebruik van wingerdbladeren en wijn door de deelnemers, het wild spelen op allerlei instrumenten en het steeds eindigen in seksuele uitspattingen. Na een tijdjeverboden de Romeinen de bacchanalen ter ere van hun vruchtbaarheidsgod Bacchus. Hier verwijs ik de lezer naar mijn artikel in deze reeks over Johannes de Doper, om inzicht te krijgen in het causaal verband tussen de christelijke Johannes de Doper en heidense vruchtbaarheidsgoden, van de keltische green man tot de Romeinse Bacchus.

Nu geef ik genummerd de gebeurtenissen van de omstreden stoet weer en laat de lezer opnieuw zelf oordelen.                En het begon inderdaad op de feestdag van de lichtheilige Johannes de Doper: 24 juni.

 

1. Op 24 juni werden te Gent talrijke sint-jansvuren aangestoken.

2. De nacht erop volgend kwamen enkele personen samen in de abdij onder de mom veiligheidsvoorschriften op te stellen voor de komende sint-lievensstoet. Om middernacht verrichtten ze een geheim ritueel dat het wekken van sint-lieven inluidde. Die personen noemde men 't gilde van binnen.

3. Drie dagen en nachten gebeurde er niets.

4. De nacht van 27 op 28 juni (patroonsfeest sint-lieven) werd om 24 uur een middernachtmis gehouden, enkel door monniken en de gilde van binnen bijgewoond.

5. Daarna was er een vroegmis voor de gelovigen. Schreeuwend stormden mannen, vrouwen en kinderen de kerk binnen, recht naar het vergulde reliekschrijn van sint-lieven. Ze waren met takken en wingerdbladeren versierd. Men speelde op trompetten, schalmeien, fluiten en doedelzakken. Twaalf man droegen het schrijn. Dan vertrok men naar Sint-Lievens-Houtem. Men ging steeds rechtdoor, niets of niemand ontziend,  ondertussen "tienduizend zonden begaand". Te Houtem bevond zich de kapel van lieven, een vierkant met een cirkel erin. Men sprak over een (nog niet ontdekte) ondergrondse ruimte waarin een geheim document ('t kalfsvel) bewaard werd.

6. Na een nacht vol zonden keerde men terug naar gent waar men in de namiddag op de Vrijdagmarkt toekwam, men liep een paar maal rond en toen barstte de orgie in volle hevigheid los.

7. Daarna keerde men terug naar de Sint-Baafsabdij en werd het reliekschrijn oversprenkeld met wijn. Daarna weerklonk opnieuw het goddelijke gregoriaanse gezang in de prachtige kerk. De heidense goden waren verdreven. Althans voor een jaar.

 

Ferdinand, de broer van Keizer Karel, woonde eens incognito de orgie op de Vrijdagmarkt bij en liep kokhalzend van walging weg. 

Een en ander kwam aan de oren van paus Paulus 3.

Die zou het op zijn eigen manier, deze maal zonder inquisitie, oplossen, of beter gezegd door iemand anders laten oplossen.

Het einde.

In juni 1538 riep de paus voor geheime besprekingen de 2 schoonbroers en kemphanen bij zich te Nice: de Franse koning Frans 1 en Keizer Karel. In het vermelde vorige artikel liet ik de paus het volgende zeggen tegen Karel: Ik zal maar met de deur in huis vallen, Karel, ik wil, neen ik eis dat je de St.-Baafsabdij met de daarbij horende kerk in je geboortestad met de grond gelijkmaakt". Frans 1 bood Karel vrije doorgang in zijn  

land om met een leger de Gentenaars te gaan straffen die tegen hem in opstand waren gekomen. Op 24 maart 1540 beklom keizer Karel samen met zijn broer Ferdinand en de oorlogszuchtige hertog van Alva de pas afgewerkte toren van de St. Janskerk. De hertog stelde Karel voor hetzelfde te doen met het opstandige  Gent zoals de Romeinen met Carthago hadden gedaan: met de grond gelijk maken.

Doch Karel was enkel geïnteresseerd in de St.-Baafsabdij die toen fier de stad domineerde. Die zou hij samen met de kerk laten afbreken en er een dwangburcht laten bouwen. Alva keek hem niet begrijpend aan. Karel maakte zijn plannen bekend en de smeekbeden van de laatste abt Lucas Munich mochten niet baten. Renovatiewerken die maanden in beslag hadden genomen waren pas beëindigd. De bisschop van Doornik (pas in 1599 werd Gent een bisdom) kwam de

kerk ontwijden. En inderdaad, op de plaats van de afgebroken abdij kwam het Spanjaardenkasteel met de kanonnen naar Gent gericht. Niemand begreep dat de paus niet reageerde. En de monniken? Die werden opnieuw seculiere geestelijken, kanunniken van het kapittel van de Sint-Baafskerk, de vroegere Sint-Janskerk. Tot ongenoegen van de Gentse brouwersgilde mochten de kanunniken zoveel bier drinken als ze wilden. Alcohol bracht vergetelheid en ze waren tevreden. Nog meer tevreden was Hulda, al haar manipulaties vanuit de godenwereld waren gelukt, uiteindelijk was haar plan volledig verwezenlijkt, zelfs zonder bloedvergieten.

Neen er moesten geen nieuwe Noormannen bij van pas komen.

Maar een nieuw heiligdom voor een vruchtbaarheidsgodin zat er ook niet in. De esoterische geschiedenis kent ook haar beperkingen.

 

 

 

Tekst: Corry Geijsen.                                               Illustraties: Patrick Coucke