Jaren geleden. Mijn rondleiding “esoterisch Gent, deel twee” startte op de Vrijdagmarkt. Hoofdmoten waren Keizer Karel en de begijntjes. Maar als opwarmertje en inleiding begon ik aan het standbeeld van Jacob van Artevelde. Ik was te weten gekomen dat de officiële datum van de moord op “de wijze man van Gent” om welbepaalde redenen niet klopte en ook legde ik een vaag verband met de tempeliers, enkel om als inleiding aan te tonen dat de officiële geschiedschrijving dikwijls meer verhult dan onthult.

Plots kwam een man bij mij die me aanmaande om over deze belangrijke geschiedkundige figuur een artikel te schrijven. Ik had juist mijn geliefde schrijfmachine met haar dromerig

ronkend geluid geruild voor een kille computer, die de baas speelde over mij. Ik gebruikte dit als excuus om te stellen dat het artikel nog een tijdje op zich zal laten wachten. Toen keek hij mij indringend aan alsof het een kwestie van leven of dood was en zei iets raar: desnoods kom ik bij jou op de computer werken en dicteer jij mij alles. Nu zijn de artikelen over keizer Karel en de zowel vrome als ketterse begijntjes reeds lang geschreven. Pas later deed ik wat opzoekingswerk naar de Gentse Jacob en, hoe meer ik vond

hoe ongrijpbaarder en geheimzinniger die man voor mij werd. Een vat vol tegenstrijdigheden, met een typische middeleeuwse woede doodde hij eigenhandig tegenstanders, maar anderzijds was hij in zijn sociale en politieke opvattingen zijn feodale tijd eeuwen vooruit door zijn revolutionaire democratische doelstellingen. Ook een gemiste kans vertegenwoordigt hij, indien hij zijn zin had kunnen doordrijven zou de Vlaamse, misschien wel de Europese geschiedenis er heel anders uitgezien hebben. Een brutale moord verhinderde het. Tenslotte had zijn anglofiele ingesteldheid esoterische

kantjes. Als iemand onder mijn lezers nog degelijk historisch onderricht gehad heeft (en niet het rommelig alle-gaartje na zinloze hervormingen) zal het beslist tot zijn of haar parate kennis behoren, dat Jacob van Artevelde in de 14de eeuw Gent van de hongersnood redde, door in de honderdjarige oorlog de kant van Engeland te kiezen, zodat de economisch noodzakelijke invoer van de Engelse wol gevrijwaard bleef. Maar er was heel veel meer aan de hand. Door een vijftal benaderingswijzen zullen we trachten een tipje van de sluier op te lichten.

 

1. Jacob en zijn revolutionair bewind.

 

Ga eens op een zonnige zondagmorgen naar de Vrijdagmarkt en geniet op één van de vele terrasjes van het uitzicht op de talrijke historische gebouwen en van het imposante klokkengeluid van naburige kerken: St-Jacobskerk, St-Baafskathedraal en St-Niklaaskerk. Maar indien je door een teletijdmachine terug zou geprojecteerd worden in 1338, tussen maart en juli, zou het daar op zondagmorgen ijzig stil zijn. Het totale gebrek aan klokkengeluid kwam door de banvloek die paus Benedictus 12 over de gehele stad Gent had uitgesproken.

Reden: het pas ingestelde revolutionaire bewind van Jacob van Artevelde. Als een heldere komeet verscheen hij plots aan het Gentse firmament als opperhoofdman, de enige officiële titel die hem ooit was verleend. Daarvoor was hij een nobele onbekende, we weten enkel dat hij omstreeks 1290 werd geboren en later het beroep van makelaar uitoefende. Na een omwenteling richtte hij een Gents bestuur in met een zeldzame vorm van democratie. Hierin was hij zijn tijd eeuwen vooruit: alle lagen van de bevolking, alle standen werden tot het bestuur toegelaten. Alle gewichtige plannen, hervormingen en besluiten, zelfs zijn eigen gezag, deed hij door het volk bekrachtigen. Een dergelijk bestuur zou men veel later een volksfront gaan noemen. Uiteraard stond dit haaks op de strakke hiërarchisch middeleeuwse feodale

structuur met de onderdanige leenman (hier de Vlaamse graaf Lodewijk van Nevers) en de absolutistische leenheer (hier de Franse koning Philips VI van Valois). Machtstwisten tussen leenheer en leenman kwamen wel veelvuldig voor, maar aan het systeem zelf werd niet getornd. Vandaar dat de Franse koning ging uithuilen bij de paus die prompt de kerkelijke ban over Gent uitsprak.

Dit duurde tot 25 juli 1338, dan kwam de bisschop van Senlis (het vroegere centrum van de merovingische vorsten) naar Gent om er de kerkban op te heffen. Maar Jacob bleef zijn revolutionair bewind handhaven. Meer nog, de steden Brugge en Ieper sloten hierbij aan (driestedenverbond). Als een olievlek verspreidde zich zijn politieke en sociale verregaande vernieuwing over Vlaanderen. Benedictus XII schreef dan ook in 1340 een vlijmscherpe brief naar Jacob waarin hij dreigde de Gentenaren zware geestelijke straffen op te leggen. Maar niets kon Jacob tegenhouden. Hij hield dit nog vijf jaar vol. Gedurende zijn bewind begon hij een droom te realiseren die we kunnen linken aan de tempe-liers en zelfs aan verwezenlijkte en nog te verwezenlijken doelstellingen van de Europese Unie. Warempel, vanuit Gent was zich iets aan het concretiseren dat Europa toen reeds een ander uitzicht had kunnen geven.

 

2. Jacob en de tempeliers

 

Toen in de 13de eeuw de tempeliers uit het Heilige Land werden verdreven en zich, na een korte tussenpauze op Cyprus, verschansten in hun machtige commanderijen in West-Europa, koesterden ze een geheime droom: het stichten van een diverse rijken overkoepelende theocratische staat met een gemeenschappelijke munt en militie. Na hun vervolging en uitmoording door Filips de Schone, namen de Duitse of Teutoonse ridders de fakkel over, althans in Oost-Europa. Na het massal en zelfs genocidaal uitmoorden

van hun tegenstanders (wordt wel eens over het hoofd gezien door bewonderaars van de geestelijke ridderorden) bereikten ze hun grootste macht in de 15de eeuw en stichtten een dergelijk overkoepelend rijk van de Oder tot de Finse Golf met inderdaad een gemeenschap-pelijke munt en militie. 

En laat dit nu ook juist zijn waarmee onze Jacob gestart was. In 1339 richtte hij een militaire en tolunie op tussen het hertogdom Brabant-Lim burg en het graafschap Hene gouwen-Holland-Zeeland-Friesland. Het prinsbisdom Luik zou later tot deze unie toetre-den. En ook hier een gemeen-schappelijke munt (voorloper van de euro) en militie (in Europa gaat het standpunt Chirac naar een autonome Europese militie). Maar even belangrijk is de link tussen Jacob van Artevelde en Engeland, omdat hier ook esoterische aspecten aan verbonden zijn.

 

3. Jacob en Engeland

 

 

Laten we eerst de hoofdrolspelers van de honderdjarige oorlog voorstellen. Na de vloek van de tempeliers, op de brandstapel te Parijs door de langzaam aan het roosteren laatste grootmeester Jacques de Molay uitgeschreeuwd, stierven alle opvolgers van Filips de Schone (Louis 10 en zijn zoon van 5 dagen oud, Jean 1 en Filips 5) voor hun 35ste, de leeftijd van Christus. Typisch voor een dergelijke vloek. Zo kwam een ander koningsgeslacht aan de macht in Frankrijk, dit van het huis Valois, waarvan Filips 6 de eerste telg was. Aan de Engelse zijde zien we Edward 3 van het huis Plantagenet.

De Plantagenets gebruikten voor het eerst de klimmende leeuw, verwijzend naar de stam van Juda waartoe ook Christus behoorde, als heraldisch teken. Deze maal echter niet als aanwijzing voor een afstammeling van Christus. Nog voor Christus’ tijd bezocht een prinsesje uit Judea, behorende tot die stam, Engeland en had het met een of andere Britse krijgsheer gedaan. Althans volgens een hardnekkige Engelse traditie. Via zijn moeder was Edward 3 de kleinzoon van de Franse koning Filips de Schone

en eiste daarom de Franse troon op. Goed voor 100 jaar vechten, een bloedige oorlog met esoterische wortels. En hier doet Jacob een zet met verstrekkende gevolgen: hij nodigt tijdens die oorlog Edward 3 met zijn zwangere vrouw Filippa uit om naar Gent te komen waar Edward prompt tot koning van Frankrijk wordt uitgeroe-pen. Aangezien Gent toen op Frans grondgebied lag (Vlaanderen was immers een leen van Frankrijk) was dit volgens het internationaal recht geldig. Trouwens, tot in de 19de eeuw werd de titel van graaf van Vlaanderen verbonden aan het Engelse koningshuis, al

was het maar louter symbolisch. Zieke Gentenaars beweerden dat ze genazen enkel door de mantel van de Engelse koning aan te raken. Edward stond erop dat zijn vrouw zou bevallen in de St.-Baafsabdij, hijzelf keerde alleen naar Engeland terug. En zo geschiedde. In juni 1340 schonk zijn vrouw het leven aan een zoon, John of Gaunt, de latere hertog van Lancaster. Als baby had hij niet enkel de gezonde Gentse lucht ingeademd (hij leidde later een turbulent liefdesleven en werd een onversaagd krijger) maar nam ook de rebelse religieuze geest van de abdij (zie mijn artikel over die abdij) mee naar Engeland. Hij werd een vurige verdediger van de Oxfordse theoloog en ketter John Wyclif (+1384). Wyclif kunnen we gerust de vader van het Europese protestantisme noemen. Hij klaagde de rijkdom van de kerk aan en stelde vragen over het pausdom en het priester-

schap. Hij leerde ook dat men de bijbel moest raadplegen om te verifiëren of het wel juist was hetgeen men op de kansel verkondigde. Van Eyck toont ons op het middenpaneel van zijn wereldberoemde veelluik het lam als symbool voor Christus die zijn bloed gaf voor de redding van de mensheid. Maar van de vele aanwezigen op het middenpaneel lijkt niemand geïnteres-seerd te zijn. Zij die toch aandachtig naar het lam kijken, lezen in de bijbel. Een duidelijkere picturale hulde aan Wyclif kan men niet brengen. Maar dit vertelde ik jullie reeds. De zoon van John Gaunt werd de latere Engelse koning Hendrik, zijn achterkleinzoon de beruchte Hendrik 8.

 

 

4. Jacob wordt vermoord.

 

Voor zijn dood vatte hij het plan op om Vlaanderen definitief bij Engeland in te lijven door de graaf van Vlaanderen (Lodewijk van Nevers) te vervangen door de prins van Wales, een zoon van Edward 3. Dit lekte uit en het gerucht werd verspreid dat Jacob Vlaanderen voor eigen gewin verkocht had aan Engeland. Hiervan maakte Gerard Denijs, een wever, misbruik om de Gentse bevolking tegen Jacob op te ruien. Kort daarvoor had Jacob immers de te grote macht van die wevers in het stadsbestuur beknot. Jacob werd dan ook in zijn huis op de Paddenhoek door Denijs met een bijl neergeslagen. Volgens de officiële geschiedschrijving gebeurde dit op 17 juli 1345. Thuis bezit

ik nog een driedelige historische Winklerprins uit de vijftiger jaren van de vorige eeuw. De historici die hierin de artikels verzorgden durfden nog eens buiten de academische pot te plassen door hun eigen mening te ventileren. Zo schreef iemand over de moord op Jacob: een moord waaraan de Franse koning, de Vlaamse graaf en de hertog van Brabant niet vreemd waren. Ik heb echter een aanwijzing (geen bewijs, dus hypothese) gevonden voor nog een andere instantie als aanstoker. In het gedenkteken aan het huis aan de paddenhoek staat vermeld dat de moord gebeurde op 24 juli. Algemeen wordt dit als een vergissing beschouwd. Maar waarom heeft men het niet gecorrigeerd? Als de waarheid nu ergens in het midden lag en men dit midden wou verdonkeremanen? René De Herdt, ex-conservator van het gentse

Miatmuseum, schreef ooit eens een werkje over Jacob. Daarin laat hij een Vlaamse kroniekschrijver zijn versie geven over de moord, we vermelden enkel de datum: “Dit was int jaar 1345, up sint Maryen Magdaleenen avond”. De feestdag van Maria Magdalena valt op 22 juli, 22 gedeeld door 7 geeft bij benadering het getal pi, het getal van de inwijding. De kerk had de oneerbiedige gewoonte de mijlpalen van haar strijd tegen de ketterij (lees: moordpartijen) te laten samenvallen met de feestdag van Maria Magdalena. Eén voorbeeld: toen de inwoners van Béziers weigerden de katharen uit te leveren aan Simon de Montfort, de aanvoerder van het Franse leger der kruisvaarders, werden de inwoners van die Franse stad op ongemeen sadistische wijze over de kling gejaagd. Dit gebeurde op 22 juli 1209. De bijnaam van Jacob was de loddere, dat betekende zoveel als de ketter. Vandaar.

 

5. Jacob krijgt zijn standbeeld.

 

Eertijds prijkte op de Vrijdagmarkt het standbeeld van keizer Karel, symbool van de absolutistische macht, later plaatsten de Fransen als tegenpool er een Franse zegezuil met de vrijheidsboom. In 1863 kreeg onze Jacob er zijn standbeeld. In de tweede helft van de 19de eeuw werd Jacob ideologisch ingepalmd door 2 groeperingen die merkwaardig genoeg nu met getrokken messen tegenover mekaar staan: de linkse arbeidersbeweging en de Vlaamse nationalisten die respectievelijk Jacob als een icoon voor de ontvoogding van de onderdrukte arbeiders en anderzijds voor de volksziel aanzagen. De autonome volksziel was en is puur romantisch, zelfs esoterisch begrip. Sommigen geloofden zelfs in het bestaan van specifieke

engelen die een natie onder hun beschermende vleugels herbergden. In het licht van de historische context van Jacob van Artevelde wordt dit alles wat wazig. Op 14 september 1863 was het dan zo ver: de inwijding van het 11 meter hoge monument, een ontwerp van de Gentse beeldhouwer de Vigne-Quoy, door koning Leopold 1. Boulanger heeft dit schouw-spel vereeuwigd in een leuk schilderij (Gent, Stam) waar in de bonte menigte zowel de prachtig uitgedoste burgerlijke dame als de sjofel geklede jan-met-de-pet verzoenend naast mekaar staan… en dit dan wel in de geest van de historische Jacob. In haar hoofdstuk in het prachtig geïllustreerde boek “Gent, stad van alle tijden” vertelt ons de historica Gita Deneckere een merkwaardige anekdote. Toen een koor van 1200 schoolkinderen een cantate ter ere van Jacob begonnen te zingen, luidden plots de kerkklokken. Velen waren ontroerd, vooral de militanten van de arbeidersbeweging: eindelijk schaarde de kerk zich achter de strijders tegen het sociale onrecht. Later bleek die ontroering vergeefs. De pastoors hadden afgesproken hun klokken te laten luiden als … protest.

 

 

 

 

 

Tekst: Corry Geijsen                                                         Illustraties: Patrick Coucke