Enkele jaren geleden was ik hulptoezichter in het Gravensteen en hield tijdens Gravensteenfeesten toezicht in een benedenzaal waar een vrouw verkleed als middeleeuwse troubadour uit het Occitaans vertaalde hoofse liederen aan het talrijk opgekomen publiek uitdeelde. Spoedig waren we in een geanimeerd gesprek verwikkeld en waren het onmiddelijk eens over de Arabische oorsprong van die prachtige liederen.In feite bezongen ze in mythische termen de intense liefde tussen astrale lichamen in het aards paradijs en drukken op hartstochtelijke wijze het intens verlangen uit naar een dergelijke toestand na de eindtijd.Toen stelde ze voor een dergelijk lied in het Occitaans voor mij te zingen.Haar prachtige stem vulde op magische wijze de middeleeuwse zaal en zelfs de stenen beschenen door de ondergaande zon schenen ontroerd mee te luisteren. Pas later viel het me op dat er niemand anders in die zaal aanwezig was en bezoekers pas na het lied binnenkwamen en zelfs niets schenen gehoord te hebben. Ik meldde haar ontroerd dat een dergelijk spiritueel lied , hoe toverachtig de omgeving ook was, in feite niet thuishoorde in een kasteel dat in de Vlaamse geschiedenis als een dwangburcht omschreven staat: als stoere bewijskracht van de macht van de Graaf van Vlaanderen: Filips van de Elzas die het in 1180 oprichtte. Om dan maar te zwijgen over de talrijke tentoongestelde gruwelijke foltertuigen uit een latere periode toen het fameuze kasteel als opperste gerechtshof van Vlaanderen dienst deed: de raad van Vlaanderen. De vrouw lachte minzaam en wees me op het feit dat alles, met uitzondering van het latere gerechtshof, op een historische vergissing berustte. Het door Filips gebouwde kasteel was geen macho bewijs van wereldlijke en militaire macht, neen het kon zelfs beter omschreven worden als een graalburcht waar magische Occitaanse liefdesliederen het best tot hun recht kwamen. Ga het maar na, voegde ze er licht spottend aan toe. Ik ging het na en moest haar naderhand inderdaad gelijk geven. Ik verdiepte me in het leven van Filips van de Elzas (graaf van 1168 tot 1197) waarvan ik de hoofdlijnen in dit dubbel artikel tracht weer te geven, met als achtergrond belangrijke gebeurtenissen uit de fascinerende geschiedenis van de tempeliers waarvan hij soms getuige en medespeler was.

Een boek vol geheimen.

De schrijver van bestsellers, historicus en genealoog Laurence Gardner, kon men veel verwijten, maar niet dat hij een gebrek had aan fantasie. Eén van zijn stokpaardjes waren de Desposini, echte of vermeende afstammelingen van Christus via Maria Magdalena. De lijsten van deze afstammelingen zouden de Romeinen vernietigd hebben omdat zij een opstand vreesden van deze messiaanse onruststokers. Ter aankondiging van zijn werk "Maria Magdalena" beweerde hij dat hij sensationele onthullingen hieromtrent, met verrassend nieuwe informatie, gevonden had in kloosters en de verborgen archieven van het vaticaan. Een verhaaltje dat al meerdere keren werd opgedist. De eigenlijke lectuur ontgoochelde, want verder dan de vaststelling in de vaticaanse archieven dat er ooit drieste ketters durfden beweren dat Christus afstammelingen had kwam hij niet. Heel wat overtuigender en beter onderbouwd is de door hem in "Het mysterie van de Graal" uitgewerkte stelling dat die afstammelingen, als Sang Réal, het hoofdthema vormden van de graalliteratuur, met Glastonbury als epicentrum. Inderdaad, vanaf de 8ste eeuw verschenen de allereerste graalmanuscripten die steeds met dezelfde gebeurtenis begonnen: Christus schonk aan de uitverkorenen een boek met de veel betekenende woorden: hier is het boek van mijn afkomst. In de tiende eeuw vluchtte Dunstan, abt van de abdij van Glastonbury, naar Vlaanderen om politieke redenen en genoot in de Gentse Sint-Pietersabdij (als residentie van de graaf voorloper van het Gravensteen) de bescherming van de graaf Arnulf 1. Hij verbleef er twee jaar en als dankbaarheid overhandigde hij een geheimzinnig boek aan de graaf. (bron: Hubert Lampo). En nu komen we bij onze hoofdrolspeler, want twee eeuwen later overhandigt Filips van de Elzas dit boek aan zijn hofdichter Chrétien de Troyes die prompt zijn "Perceval ou le conte del Graal" schreef. De dichter vermeldt trouwens in zijn inleiding dat een boek hem geschonken door de graaf hem inspireerde en zijn fascinerend verhaal begint met een visioen van de lans van Longinus, bij ingewijden van oudsher het symbool van de goddelijke bloedlijn. Maar Filips deed nog meer. Hij veranderde het wapenschild van Vlaanderen in de afbeelding van de klimmende leeuw, het heraldisch teken voor de stam van Juda, waartoe Christus behoorde. En in 1180 liet hij het Gravensteen bouwen als een architectonische bevestiging van zijn afstamming van Christus, maar spoedig hierover meer. Tijd nu om de belangrijkste gebeurtenissen uit Filips leven eventjes chronologisch te rangschikken. 

Regeren vanuit goddelijke principes, maar eerst in eigen rijk.

In 1168 volgde Filips van de Elzas als graaf van Vlaanderen zijn vader Diederik op. Hij was reeds gehuwd met Elisabeth van Vermandois, waardoor het graafschap Vlaanderen zich uitstrekte van de Scheldemonding in Zeeland tot vlak voor Parijs. Zelfs in hun natste dromen bereiken de huidige Vlaams-nationalisten dit ideaal nog niet. Alhoewel Elisabeth wegens onvruchtbaarheid hem geen opvolger kon schenken verstootte hij zijn vrouw niet. Net zoals bij zijn vader Diederik (bracht het heilige bloed naar Vlaanderen) reikte Filips droom veel verder dan Vlaanderen: hij wou over de christelijke wereld regeren vanuit Jeruzalem. Uiteraard was hij beste maatjes met de tempeliers. Vanaf 1127 schonken de Vlaamse graven hun verheffingsrecht (een soort successierechten) aan die geestelijke orde. Maar de imposante en even beruchte commanderij van de tempeliers te Gent, het tempelhof of het dobbelslot verrees pas in 1200, negen jaar na de dood van Filips. Dobbelslot (waar nu zich de grote ziekenhuizen bevinden) omdat er zeer uitzonderlijk ook vrouwelijke tempeliers gehuisvest waren. Men heeft zich altijd vragen gesteld over de rol van die vrouwelijke tempeliers. Een kleine tip van de sluier werd opgelicht toen bij werkzaamheden gestilleerde vagina's en penissen werden opgegraven, nu te bekijken in het heemkundig museum van Melle. Maar terug naar onze Filips. Van cruciaal belang voor zijn verdere evolutie was zijn intense vriendschap met Thomas Becket. Thomas was een notoir drankorgel en een onverbeterlijke rokkenjager en in die hoedanigheden de beste vriend van de eveneens losbandige Engelse koning Hendrik 2, die hem in 1155 benoemde tot kanselier en, na veel manipulaties, in 1162 liet benoemen tot aartsbisschop van Canterbury, als een menselijk schild tegen de inhalige paus Alexander 3. En toen gebeurde het ongelooflijke, vanaf dit moment beschouwde Becket (ooit magistraal filmisch vertolkt door Richard Burton) zijn functie door goddelijke inspiratie geleid en schaarde zich, tot grote woede van de koning, onvoorwaardelijk achter kerk en paus. Hij werd door de koning en zijn slaafse volgelingen opgejaagd en vond onderdak bij zijn Vlaamse vriend, inderdaad onze Filips. Vanaf die aangeboden bescherming onderging Filips ook een soort innerlijke transformatie: van nu af aan meende hij te handelen volgens een goddelijke opdracht. Hij bemiddelde bij de paus (dit bewijst zijn belangrijke rol op het Europees schaakbord) tussen Thomas en de Engelse koning. Thomas mocht terugkeren naar Engeland maar werd toch op instigatie van de koning vermoord in 1170 voor het altaar van zijn kathedraal in Canterbury, nog steeds het meest bezochte bedevaartsoord in Engeland. Filips voelde zich voor de opdracht geplaatst in zijn Vlaanderen alles volgens goddelijke rechtvaardigheid en welzijn te laten verlopen. Alhoewel er nog geen scheiding der machten was stelde hij een baljuw aan, die weliswaar als zijn plaatsvervanger zoveel autonoom als mogelijk rechtvaardig recht moest spreken. Ook verleende Filips keures aan de belangrijkste Vlaamse steden (o.a. Gent, Brugge en Ieper) waardoor zij door de verworven vrijheden maximaal konden genieten van de bloeiende Vlaamse lakenhandel. Voeg hierbij dat Vlaanderen toen bijna volledig onafhankelijk was van zijn leenheer, de Franse koning Filips Augustus, zodat we gerust kunnen stellen dat, alle middeleeuwse normen voor ogen, het goed leven was in het toenmalige Vlaanderen. Filips kon nu gerust zijn hoopvolle blik naar Jeruzalem richten. Hij maakte zich klaar om op kruistocht te vertrekken. Eerst ging het richting Canterbury om bij het graf van zijn vroegere vriend een voorspoedige reis af te smeken. De Engelse koning had blijkbaar berouw over zijn moord want hij gaf Filips 1000 mark voor de reiskosten. In juni 1177 was het dan zover: hij vertrok per schip, samen met andere ridders naar Palestina. Hoe was de toestand toen in de Levant en wat verrichtte Filips daar, of beter gezegd, wat deed hij er juist niet?  

De toestand in de Levant.

Aan het moslomfirmament verscheen een hoopvol rijzende ster in de persoon van Saladin. Bij de moslims wordt hij nog steeds vereerd als de bewonderenswaardige krijgshoofdman die Jeruzalem in 1187 van het juk van de christenen bevrijdde (nu bidden de moslims hoogstwaarschijnlijk om de komst van een nieuwe Saladin). Maar in feite was Saladin een niet-Arabier, maar een Koerd geboren te Tekrit, in het huidige Irak. De religie van de Koerden is een afgeleide van de gnosis, het alternatieve christendom (lees maar: ketterij). Velen gingen over naar de Islam, maar behielden eigen accenten. Saladin werd dan ook in het oosten door één van de Frankische edelen geridderd als was hij een christelijke strijder. Trouwens, op zijn sterfbed zou hij christen geworden zijn. Aanvankelijk was hij een sjiiet van de stam der Fatimiden (de sjiieten worden ook wel eens de christelijke moslims genoemd), maar werd later soenniet. Zijn eerste grote militaire succes was het verenigen van Egypte en Syrië. Er ging toen een lichte huivering door de christelijke wereld, maar het ergste moest nog komen. De eerste glorierijke overwinning was wel voor de christenen. Te Montgisard (huidig Israël) in 1177 versloeg Boudewijn, koning van Jeruzalem, met zijn leger en dit van de tempeliers het leger van Saladin verpletterend. Boudewijn leed echter aan lepra, de ziekte was al vergevorderd. Boudewijn was dan ook gemaskerd de strijd ingegaan om zijn zwaar gehavend gezicht te verbergen en hield zijn zwaard in de linkerhand omdat de rechter al verlamd was. Die scene uit de film "Kingdom of Heaven" (2005 - Ridley Scott) was werkelijk adembenemend. God was de christenen blijkbaar gunstig gezind. Op 1 augustus van dit jaar arriveerde Filips te Palestina. De verwachtingen waren hoog gespannen. De euforie onder de christenen was groot. Maar Filips loste hun verwachtingen niet in. We pogen hem te begrijpen. We blikken even in zijn ziel.

Filips eerste verblijf in de Levant.

Tot ieders verbazing en grote ontgoocheling nam hij nauwelijks deel aan de krijgsverrichtingen. Historici zoeken naar tactische (drog?) redenen. Zo zou hij Saladin in Egypte niet hebben aangevallen omdat de overstromingen van de Nijl in dit tijdperk hier niet favorabel voor waren. De theoloog, kronikeur en blijkbaar gefrustreerde aartsbsschop Willem van Tyrus kan het ons pedant en uitgebreid uitleggen. De zwakke Filips zwichtte voor de erotische verleidingen in de Oriënt. Hij zal wel niet afkerig geweest zijn van de mooie exotische dames met hun sensuele donkere huiden, maar het meest werd hij gesignaleerd in de schaduw van het imposante, nog steeds bestaande kasteel, le Crac des Chevaliers nabij Homs (Syrië, wordt nog steeds hevig gevochten). In feite is het een johannieterskasteel, maar qua architectonische esoterische symboliek tapten ze beiden uit hetzelfde vaatje. Urenlang trachtte Filips die symboliek te vatten, om het later te imiteren. Ook trachtte hij door introspectie inzicht te krijgen in de door hem goddelijk geachte lotsbestemming:

Hoe graag ik ook de geschiedenis zou ingaan als de krijgshaftige beschermer van het christendom tegen de oprukkende islam om zo het heilige graf te beschermen, ik kan en mag Saladin niet aanvallen. Neen, het veelbelovend tijdperk van het hemelse Jeruzalem is nog niet aangebroken. We moeten een zeer zware tol betalen voor het in Jeruzalem aangerichte bloedbad. Jeruzalem moet nu in handen komen van de rechtvaardige, ik mag dit niet beletten. En toch kan ik geen afstand doen van mijn innigste wens. Ik zie dan ook maar één oplossing: die hunkering in een kasteel zoals dit, voor mij laten vereeuwigen en hierbij tevens mijn afkomst tonen. Ook wil ik later niet als een lafaard bestempeld worden. Als alles volgens het goddelijk plan zal geschied zijn zal ik in actie schieten met de moed der wanhoop, want het zal toch nutteloos zijn.

Toen keerde Filips maar naar Vlaanderen terug. In 1180 was het Gentse Gravensteen voltooid, 7 jaar later nam Saladin Jeruzalem in, dat voor eeuwen in moslimhanden bleef. Filips ging nog even naar Palestina strijden, maar veel tijd restte niet meer voor hem.

Dit alles vertel ik jullie in een volgend artikel.

 

wordt vervolgd. (Zie artikel 25: "De verdere lotgevallen van Filips van den Elzas".)

 


Tekst: Corry Geijsen                                                       Illustratie: Patrick Coucke