Een van mijn geliefkoosde plaatsen om wat uit te blazen na een gidsbeurt te Gent is café Belfort, onder de befaamde, ja zelfs beruchte nieuwe stadshal. Van daaruit heb je een uniek zicht op Minnes bron der geknielden met de 5 bekende naakte jongelingen zich spiegelend in het water. Bij iedere klassieke rondleiding in Gent vertelde ik hetzelfde wat de meeste andere gidsen uitleggen, de jongelingen symboliseren de mythe van Narcissus die op zichzelf verliefd werd. Nu dis ik een totaal ander verhaal op. Hoe ik ertoe gekomen ben vertel ik in een verhaal in 5 fases, er worden nu eenmaal  5 jongelingen getoond. 

 1. De pietjesbak

 

Mijn verhaal begint conventioneel romantisch . De 32-jarige wat miskende en verarmde George Minne creëert in zijn rommelig atelier in Vorst (Brussel) zijn 5 geknielde jongelingen voor zijn fontein der geknielden. Als model fungeerde een tengere tiener die volgens Minne een typisch Johannes-de-Doper gelaat had. Dit laatste licht een klein tipje van de sluier op wat betreft de bedoeling van het kunstwerk. De oorspronkelijke versie in gips valt nog te bewonderen in het MSK te Gent.   Die jongelingen werden een succes want men kon ze vanaf 1900 bewonderen in diverse internationale tentoonstellingen: Wenen, Boedapest, Venetië, Hagen..  Minnes naam was gemaakt .Men noemt de beeldhouwer en tekenaar Minne (Gent 1866 – St.Martens-Latem 1941) een symbolist en rekent hem bij de eerste school  van Latem. In het symbolisme verwijzen de vormen naar begrippen en ideeën. In de dertiger jaren van de vorige eeuw komen twee grote replieken van de fontein tot stand: één aan de achterzijde van het parlement te Brussel en een ander te Gent. Inderdaad bij het begin van de Gentse Feesten op 19 juli 1937 verschijnen de naakte bronzen jongelingen op een stenen bekken aan het Emile Braunplein, pal in het centrum van de stad. En dit tot groot jolijt van de lustig vierende Gentenaars die de beeldengroep de spotnaam “pietjesbak” geven, verwijzend naar het bekende caféspel met een bak en teerlingen.  Kunstcritici van voornamelijk katholieke dagbladen kunnen er echter niet om lachen en ergeren zich aan de verregaande onbeschaamdheid om beelden van naakte jongelingen in het centrum van de stad te tonen .Het ultrakatholiek blad “ zedenadel” drukte zelfs “: het monument geeft de indruk dat Gent op zedelijk gebied de diepst gevallen stad is van heel het land.” De eerste ernstige reactie en tevens hypothese  kwam van de bekende dichter Karel van de Woestijne die de fontein bestempelde als een wonderlijke Narkissos fontein. 

 

2. Narcissus.


Het probleem van de symbolisten bestaat erin dat het soms moeilijk is te achterhalen welke ideeën of overtuigingen zij willen uitbeelden zodat recensenten soms onbewust hun eigen meningen projecteren op de kunstenaar. Zo ontwaarde de gevoelige dichter Karel van de Woestijne het Narcissusthema in de bron der geknielden. In de Griekse mythologie was Narcisus een jongeling van bijzondere schoonheid. Hij versmaadde de liefde van de nimf Echo die zich, overmand door liefdesverdriet in een grot terugtrok tot haar uiterlijk verdween en alleen haar stem overbleef. De godin der liefde, Aphrodite, strafte hem, door hem verliefd te laten worden op zijn eigen spiegelbeeld. Verteerd door een nimmer bevredigde liefde kwijnde Narcissus weg en doodde zichzelf. Uit zijn bloed ontstond de gelijknamige bloem. Menig kunstenaar beeldde hem af. Bekijk eens het bekende schilderij van Caravaggio (1594). De meeste vrouwen (hangt wel af van hun smaak) zullen in vervoering komen door zijn zwierige en lange haren en zijn gespierd lichaam. En vergelijk hem nu eens met die uitgemergelde, ascetische lichamen van de geknielden. Die in verband brengen met verliefdheid is een belediging van Eros. En toen kwam vanaf 1915 Marie met een verrassende bewering: voor het ontwerp van zijn bron had Minne zich laten inspireren door de bron des levens op het Lam Gods (onderaan het middenpaneel). Meer nog: de bron was slechts bedoeld als onderdeel van een groter beeldhouwwerk en er waren ook liturgische bestanddelen in het oorspronkelijk ontwerp. Marie ,alias mevrouw Marie Gevaert Minne kon het weten want zij was de dochter van George Minne.

3.De bron des levens en Johannes de Doper 


De 2 fraai geïllustreerde boeken van Peter Schmidt, onder meer kanunnik van het kapittel van de St.-Baafskathedraal en communicatieverantwoordelijke van de Jezuïeten, vormen zowat de Vlaamse bijbel voor de exegese – en je mag die woorden bijna letterlijk nemen – van het Lam Gods. Bijna alles interpreteert hij in het licht van de katholieke dogmatiek en de sacramentenleer. De bron des levens onderaan het middenpaneel brengt hij uiteraard in verband met het sacrament van het doopsel. Een totaal ander, fris geluid zonder de nare klanken van verstikkende dogmatiek laat Lotte Brand Philip weerklinken in haar “ The Ghent Altarpiece and the Art of Jan van Eyck”. In haar standaardwerk, uitgegeven door de prestigieuze Princeton University Press, komt de Amerikaanse kunsthistorica tot een zeer opmerkelijke doch flink onderbouwde stellingname: de oorspronkelijke opdrachtgever van Jan Van Eyck voor zijn Lam Gods was de Bourgondische vorst Filips de Goede die een kruistocht naar Jeruzalem plande en het veelluik moest daarvan getuigen. En inderdaad, de hertog stuurde Johannes (de echte voornaam van de schilder) in een geheime opdracht naar het Heilig Land (1426) samen met de Adornes uit Brugge om die kruistocht voor te bereiden door allerlei gegevens te verzamelen en kaarten te tekenen. Lotte tracht niet alleen die verkenningstocht te reconstrueren maar gaat ook op zoek naar getuigenissen hiervan op het schilderij. Te Karmel ,dicht tegen de huidige haven Haifa, stond Johannes voor de bron van de profeet Elia .Volgens Lotte stond  die bron model voor de bron des levens (bekijk de opvallende gelijkenis op de afbeelding).In de joodse Talmoed en deThora was Elia een belangrijke profeet die lichamelijk ten hemel is opgestegen (een metatron wordt dit genoemd).Maar voor ons is belangrijk dat Christus in Johannes de Doper de teruggekeerde Elia herkende. Elia en Johannes de Doper zijn dus één en dezelfde entiteit, zelfs volgens de gecanoniseerde geschriften. Volgens het esoterisch christendom – vanaf de gnosis (tweede) tot de theosofie (19de) en de antroposofie(20ste eeuw)  kreeg Christus pas zijn goddelijke status na zijn doop in de Jordaan door Johannes de Doper. Trouwens, oorspronkelijk noemde het Lam Gods het Johannespaneel. En nu komt het essentieel verschil tussen het geïnstitutionaliseerde  en het esoterische christendom. Bij het eerste legt men de nadruk op God die mens wordt via Christus, bij het tweede ligt de klemtoon op de mens die God wordt .Die visie over Johannes de Doper noemde Pius 9 de ergste ketterij die ooit het daglicht (in zijn visie wel het satanisch duister)zag omdat Johannes de Doper niet alleen theologisch gelijkgeschakeld wordt aan Christus , maar zelfs boven hem gesteld wordt. Nu komt de hamvraag: vinden we iets dergelijks in het werk van George Minne. Ik meen hier met een volmondig ja te mogen op antwoorden. In 1895 ontwierp Minne een gipsen beeld van Johannes de Doper (nu in MSK Gent). Door de geknielde houding en de gevouwen  


handen voor de borst (geen gebedshouding !)wordt dit beeld wel eens omschreven als het prototype voor de geknielde jongelingen. Maar het beeld leunt tegen een perkament waarop de volgende tekst (vertaald uit het Latijn) gegrift staat:” Er werd een mens door God gezonden, wiens naam Johannes de Doper was.” Klare taal, voor mij althans. 

4.De Rozekruisers. 


De artistieke Lucasschool te Gent loodst graag kunstenaars binnen in de veilige haven van moeder kerk door ze het etiket op te plakken van “diepgelovig katholiek”. De beweringen van mevrouw Gevaert-Minne over de bron des levens en kerkelijke liturgie klonken de Lucasadepten als gregoriaans gezang in de oren .Daardoor kreeg Minne ook dit bewuste etiket opgeplakt. Ofwel wisten ze het niet, ofwel hadden ze de gebeurtenis doelbewust uit hun geheugen gewist, want in 1898 nam Minne, samen met andere symbolisten, deel aan Salon de la Rose-Croix dat te Parijs werd gehouden. De initiatiefnemer was Joséphin Péladan en de bedoeling was de kunst te verheffen vanuit het materialisme naar de spirituele Rozekruisersidealen. Péladan was een rare kwast die zich profileerde als een reïncarnatie van een Sumerische hogepriester van de god Marduk ( de Babylonische oppergod) en zich dikwijls zo kleedde. Ja, er werden soms rituelen gehouden maar die hadden uiteraard niets met kerkelijke liturgieën te maken. Zijn Parijse salon had zo een enorm succes dat de politie het verkeer van de koetsen van het toestromend publiek moest omleiden. De Rozekruisers beweging, in de 17de eeuw ontstaan door anonieme pamfletten , is een merkwaardige ,soms leuke loot aan de stam van het esoterisch christendom. Door hun verwarrende, syncretische ideologie loopt toch een duidelijk te onderscheiden rode draad: die van de gnosis of de basis van het esoterisch christendom uit de 2de eeuw. De gnosis verwerpt het katholieke dualistische standpunt van lichaam en ziel en predikt een driedeling van de mens in lichaam, ziel en geest. De geest of pneuma is het deel van God dat in iedere mens aanwezig is. Kennis van God staat in die visie gelijk aan zelfkennis, door Minne gesymboliseerd door staren in het water. Want inderdaad ,volgens mij weerspiegelt (bijna letterlijk!) de bron der geknielden op een originele, zelfs geniale manier het universele concept van het pneuma. Ik verklaar mij nader, enkel om stilistische redenen vermijd ik “volgens mij” en “mijn inzien”. 

 

5.Het Pneuma of de Godsvonk

 


Voor de bron der geknielden gebruikte Minne het principe van de herhaling: de groepering van identieke figuren rond een centraal punt .Niet om de Franse meester Rodin klakkeloos na te bootsen, maar doelbewust omdat 5 identieke figuren adequaat op symbolische  wijze zijn idee kunnen vertolken: het pneuma of de godsvonk  .Eerst het getal vijf. Door de 5 jongelingen met een denkbeeldige lijn te verbinden bekomt men de vijfpuntige ster of het pentagram, het occulte symbool  bij uitstek om verbinding te krijgen met bovenzinnelijke werelden. Ofwel met de punt omlaag als toegang tot demonische werelden, de punt omhoog (uiteraard bij Minne) als verbinding met hogere spirituele realiteiten. Maar Minne verwijst naar het pneuma, het deel van God dat in iedere mens aanwezig is ,dus vormt het denkbeeldige pentagram geen verbinding met een transcendente realiteit buiten de mens, maar een rechtstreekse spirituele weg naar een goddelijke realiteit in de mens. Lichaam en ziel (zoals reeds aangestipt het klassiek katholieke dualisme) zijn individueel, maar het pneuma is universeel en identiek in iedere mens. Vandaar 5 identieke jongelingen. Die godsvonk is slechts embryonaal , als een nog zeer tedere en fragiele mogelijkheid in de mens aanwezig, vandaar die ascetisch, kwetsbare jongelingen. Het pneuma smeekt als het ware om gerealiseerd te worden zodat de mens zijn goddelijke status kan herwinnen. Maar eerst moet de mens zich van dit pneuma dat diep in hem schuilt bewust worden en dit kan enkel door introspectie die leidt tot zelfkennis, identiek aan kennis van God. Vandaar dat de jongelingen in het water staren. In die esoterische visie trachten boze krachten het pneuma aan de mens te onttrekken (in de antroposofie noemt men dit ahriman bivoorbeeld). De mens hoeft zijn innerlijk pneuma dus te beschermen, vandaar de gekruiste armen voor de borst. In twee gipsen beelden (MSK te Gent),de kleine gekwetste uit 1889, en de jongeling (idem) zijn de jongelingen op uiterst expressieve wijze in strijd tegen boze krachten die het pneuma aan hen willen ontfutselen. Nog een laatste beschouwing. Zou Minne zijn ideeën en inspiratie  ook door een bespiegeling via een wateroppervlak verkregen hebben? Ik bedoel het oppervlaktewater van de Leie. Die golden river, maar goud dan niet in de economisch-financiële betekenis als rijkdom via de vlasnijverheid, maar het edel metaal in zijn alchemistische connotatie: als symbool voor de zelfvervolmaking via bewustwording van het goddelijk potentieel in de mens.

 

Tekst: Corry Geysen   (april 2015)                                                            Illustraties: Patrick Coucke