4. Begijntjes... Vroom of Ketters?

Gent Elisabethbegijnhof 1860

 

Als een splijtzwam heeft de Gentse burgemeester Charles de Kerckhove de Gentenaars in twee kampen verdeeld die met getrokken messen tegenover elkaar staan: gelovigen en ongelovigen. Profiel de Denterghem: diepblauw liberaal, rabiaat antiklerikaal, vrijmetselaar met een inwijdingsgraad ergens tegen de dertig, vrienden: industriëlen en speculanten, hobby: katholieken plagen met als speciale doelgroep de begijntjes. Het Gentse Elisabethbegijnhof was toen (en nu nog van wat er nog van overblijft) een oase van rust waar kunstenaars (o.a. schilder Gustave Van De Woestyne – schrijver Georges Rodenbach) inspiratie vonden: idyllische straatjes meanderend rond een prachtige hallenkerk. En plots sloeg het noodlot toe in die voorbeeldige wereld van bovenaardse rust: een ongenadig voortwoekerend winstbejag. Door de snelle ontwikkeling van de industriezone rond het Gentse rabot waren de gronden van het Elisabethbegijnhof plots razendsnel de hoogte ingegaan. Speculanten hadden er hun pervers oog laten op vallen en hun beschermer de Denterghem maakte de begijntjes het leven lastig. De huurprijzen werden drastisch verhoogd, gedeelten van het begijnhof werden openbaar verkocht, wegen door het begijnhof werden aangelegd. Begijntjes weigerden zieke behoeftigen uit gesloten godshuizen op te nemen, was de spreekwoordelijke stok om de hond te slaan. Ja, de burgemeester zette alles op het spel (bijgestaan door radicale figuren als François Laurent en Gustave Callier) om de begijntjes uit hun vertrouwde omgeving weg te jagen.

Er bleef de geplaagde begijntjes maar één middel over: bidden tot God. En die bracht hun redding in de figuur van hertog Engelbert Auguste Antoine van Arenberg. Die adellijke figuur scheen zo uit een hyperromantische roman uit die periode gestapt te zijn: een gelaat van etherische schoonheid met een blik op oneindig, lijdende aan tuberculose. De brave ziel, de arme begijntjes aan zijn liefdevol hart koesterend, kocht een stuk grond aan op een stuk van de oude Sint-Baafskouter te Sint-Amandsberg, met als nobele bedoeling hier een nieuw begijnhof te laten bouwen. Er zat wel een heel klein addertje in het gras: een derde moesten de begijntjes zelf betalen, kwestie dat ze niet zouden vervallen in lethargische berusting. Allerhande katholieke acties zorgden spoedig voor dit geld, samen met duizenden handtekeningen tegen de onheuse bejegening van de onschuldige begijntjes. In 1873 startten de werkzaamheden voor het nieuwe begijnhof. Het plan hiervoor kwam van Jean-Baptise Bethune, de bekende voorvechter van de neogotische beweging. Op 29 september was het dan zover: 300 begijntjes werden met honderd koetsen naar Sint-Amandsberg overgebracht, naar het Groot Begijnhof. Dit kleurrijk spektakel werd breeduit in de verf gezet van de internationale katholieke pers. Katholiek Europa balde haar vuist naar het goddeloze Gentse stadsbestuur die het had aangedurfd de zo voorbeeldige begijntjes te belagen.

Eenmaal was het echter anders en werd de begijnenbeweging minachtend bekeken als een luis die uit de katholieke pels moest verwijderd worden.

Voor de veroordeling:

 

De term begijn is afgeleid van beginni, benaming voor vrouwelijke leden van de ketterse katharen. Monica Triest (“het besloten hof”) noemt de eerste begijnen uit de 12de eeuw terecht middeleeuwse sjamanen. Ze werden dikwijls door het volk geraadpleegd voor hun paranormale en helende krachten. Ze vlogen als sjamaan naar de hemel en de hel, waaruit ze de zielen verlosten. Nu zouden we zeggen dat ze uit hun lichaam traden en aan de aarde gebonden geesten terug naar het licht voerden. Alhoewel een klein smeulend vuurtje, geurde de reuk die het verspreidde reeds naar ketterij. Want de zielen in de hel waren volgens de kerk eeuwig verdoemd.

Pas na de kruistochten in de 13de eeuw (een leger van weduwen!) ontstond de sociaalhistorische basis om zich te organiseren en ontstonden de begijnhoven. Voor die tijd waren die organisaties bijzonder democratisch. Het hoogste gezag berustte bij een grootmeesteres die democratisch verkozen werd. De afgelegde beloftes waren tijdelijk, een eerste grote doorn in het oog van de kerkelijke overheid. De tweede doorn bestond erin dat die gehoorzaamheid niet gold voor de kerkelijke hiërarchie. Ze hadden wel een biechtvader, maar die mochten ze wegsturen. De gelofte van kuisheid herinnerde aan hun oorspronkelijke vraag aan hun man (toen ze nog niet georganiseerd leefden)voor seksuele onthouding, kwestie om hun paranormale krachten te kunnen behouden (kundalini). Een armoedebelofte kenden ze niet en dit uit protest tegen de luxe van de monniken. Ze streefden wel naar de apostolische deugd van schamelheid of een eenvoudig leven. Ze konden wel in hun eigen onderhoud voorzien en dit maakten ze dan onafhankelijk van de graaf van Vlaanderen. Ze onttrokken zich dus aan de mannelijke suprematie, zowel op kerkelijk als op bestuurlijk vlak. Zo schonk in 1234 de Vlaamse gravin Johanna van Constantinopel aan de pas opgerichte begijntjes de gronden voor het Elisabethbegijnhof. Nou ja, schenken, het was eerder een verbanning op moerassige, onvruchtbare grond. Toch ommuurden ze hun terrein en produceerden hun eigen laken dat ze aan dumpingprijzen verkochten. Dit tot woede van de Gentse gildeleden en patriciërs die hun de scheldnaam “truten” gaven. Nog steeds een belediging voor een dom geachte vrouw.

Hun geliefkoosde boek was: “Schwester Katrei” van de middeleeuwse mysticus meister Eckhart.Daarin werd betoogd dat de mens aan God gelijk kon worden en dan boven goed en kwaad verheven werd. Ook de gnostici omarmden dit werk en gingen soms nog een stapje verder. Om te tonen dat ze boven goed en kwaad stonden etaleerden ze soms ostentatief het kwade via seksuele openbare orgieën; Zo ontstond de ketterse sekte van de Vrije Geest waarbij sommige begijnen aansloten. Zo liet Gwijde van Dampiere een onderzoek instellen en moesten onwaardige begijntjes hun habijt afgeven.

Dan had je ook nog de mannelijke begijnen of beganten. Ook zij richtten zich tegen de kerkelijke hiërarchie, maar dan op een typisch mannelijke manier: ze verstoorden kerkelijke plechtigheden, en joegen soms een geestelijke over de kling. Men bracht hun onder bij de franciscanen die toen reeds hun blazoen hadden opgesmukt met geraffineerde foltermethoden voor de ketters. Het hielp, want achteraf hoorde men niets meer over die stoute beganten.

Ook op relationeel vlak waren de begijnen uiteraard onafhankelijk van de man, wat tot een zeer opmerkelijke interpretatie van de liefde leidde. Hierin waren ze uniek in de westerse wereld.

Begijntjes en de liefde

De komst der minne sterkt; haar einde slaat terneer,

En dit verzwaart het strijden.

Wie alles gaf, won alles weer.

Maar dat weten slechts de ingewijden.

Hadewijch (omstreeks 1200 )

De begijntjes bezaten een omheind hofje met bloemen en planten met een symbolische waarde. Ze noemden het hun besloten hof, naar het HORTUS CONCLUSUS uit het Hooglied, die prachtige erotische passage uit het OT waar Salomon zijn zusterziel ontmoet. Ze zagen het ook als ontmoetingsplaats tussen Christus en zijn zusterziel Maria Magdalena. Maar dan zeer specifiek als liefde van ziel tot ziel, hun gelofte van kuisheid indachtig. De zielsliefde van Maria Magdalena wordt als ideaal gesteld.

De normale gang van zaken is als volgt. Iedereen draagt in zich het beeld van een zusterziel (joodse kabbala) of de wederhelft (Plato). Als we dit beeld op iemand projecteren raken we verliefd, pas later komt men tot de ontgoochelende ontdekking dat de andere toch niet een deel van onszelf is. Wel is het zo dat zowel bij de kabbala als bij Plato er sprake is van diverse reïncarnaties en tevens de hoop op een toekomstige hereniging wordt gelegd. Jung (analytische psychologie)zwakt dit enigszins af en spreekt over de animus en anima als respectievelijk de archetypen van de ideale man en vrouw in iedere psyche als archetype verankerd. Ook hier ontstaat verliefdheid als projectie. Bij de begijntjes ontstaat nu iets uniek: HET GEHELE PROCES WORDT BEWUST VERINNERLIJKT. Ze projecteren het beeld van de zusterziel niet, maar ontdekken die in zichzelf en noemen de uiteindelijk gevonden geliefde Christus. Ze ontmoeten Christus als bruidegom in hun besloten hof. Christus noemen ze hun minnaar, de liefde tot dit verinnerlijkte beeld Suete Minne. Soms wordt hun kerk hun hofje, dan wordt het omringd met bloemen en betreden ze het met een smachtend verlangend hart, zoals een smoorverliefde naar zijn of haar liefje snelt. Hun zielenroerselen, hun extatische ervaringen vonden soms hun weg in onovertroffen poëzie, zoals bij Hadewych, een begijntje uit het Antwerpse. In de poëtische weergave van haar pogingen tot die innerlijke hereniging bereikt ze literaire hoogtes die anderen nog nooit betreden hadden. Ingewikkeld zijn de uiterst gedetailleerde beschrijvingen van de diverse stadia die de hereniging voorafgaan. En dan plots, in haar zeldzaam proza zegt ze waar het in werkelijkheid over gaat, met een ontroerende eenvoud: daarna kwam Christus zelf bij me en nam me in zijn armen en trok me tegen zich aan. En al mijn leden voelden zijn leden op een volmaakt bevredigende manier, zoals mijn hart begeerde, zoals ik als mens nodig had.

In het gedicht van zuster Bertken is de scheidingslijn tussen spirituele liefde en aardse seksualiteit nog vager: Mijn tuintje moet ik voortdurend wieden. Hierin moet ik leliezaad zaaien, dat moet ik doen bij het krieken van de dag. Als hij daar de dauw op laat neerdalen, mijn minnaar, dan zal het zaadje weldra wortel schieten.

Voor alle duidelijkheid: de Middelnederlandse teksten werden door mij in hedendaags Nederlands omgezet. Ik zie het ook zo dat de benoeming van Christus als hun (innerlijke) minnaar als doel had te ontsnappen aan het wakend oog van de inquisitie. Maar het hielp niet. De kerkelijke veroordeling hing als een zwaard van damocles boven hun verliefde hoofd. De paus wachtte enkel nog op de geschikte aanleiding om met zijn zwaard het touw door te hakken. De tempeliers gaven hem die gelegenheid.

De veroordeling en later

 

Te Viennes in 1312 verbiedt Clemens5 de begijnenbeweging in hetzelfde concilie waarin de tempeliers worden opgeheven. Waar hij in de veroordeling van de tempeliers zich uitslooft in ellenlange beschuldigingen van blasfemie en zwarte magie, klinkt de veroordeling van de begijnen bijna simplistisch: ze zijn behept met een soort van gekheid. De Franse koning Filips de Schone legde beslag op hun bezittingen, net zoals bij de tempeliers. De opvolger van Clemens5, Johannes 22, herstelde de begijnen echter in ere door de uitzonderingsbul van 1318. Hij speelde echter op voorzichtig en plaatste ze onder het toezicht van de dominicanen, de ketterjagers bij uitstek. Wat me bij een bezoek aan het overigens prachtige begijnenmuseum in het Groot Begijnhof te St.-Amandsberg bijzonder trof was de maquette waarin een begijntje in het habijt van een dominicaan werd begraven. Een schriller contrast kun je wel niet indenken tussen die diepe postmortale vernedering en de vroeger bevochten onafhankelijkheid tegenover de kerk met haar logge en strikt mannelijke hiërarchie. Voor de veroordeling leefden ze in communeverband, met een zichzelf opgelegde armoede, nu kwam er een rigoureus verschil tussen arme en rijke begijnen. De armen leefden met verschillenden in schamele woningen aan de periferie van het begijnhof, de rijken luxueus apart in mooie woningen. Ze werden inderdaad zeer vroom, bidden en werken was hun advies. Maar werken betekende in de praktijk heel dikwijls poetsen voor de rijke begijnen. De vroegere mystieke hang naar de hostie (religieuze anorexia of alleen in leven blijven door de hostie kwam geregeld voor) maakte plaats voor veelvuldig kerkbezoek, soms 3 maal per dag de mis bijwonen. In de plaats van de democratisch verkozen grootmeesteres (de tempeliers hadden hun grootmeester) kwam de grootjuf die zich dikwijls dictatoriaal opstelde. Het bloed kruipt echter waar het niet gaan kan en sommige begijnen trachtten hun mystieke aanleg te uiten in onschuldige muziek, in weemoedige klanken kan immers de hunkering naar de innerlijke geliefde vertolkt worden. Maar ook hier greep de paus in: muziek is schadelijk voor de bescheidenheid die eigen is aan de vrouw, daar deze daardoor wordt afgeleid van de zaken en bezigheden die voor haar geschikt zijn, ordonneerde Innocentius 11.

En nu? De westerse ontkerkelijking en secularisatie trof ook het begijnenwezen. De Gentenaar laat op 24 mei 2008 Marcella Pattyn, het allerlaatste begijntje ter wereld te woord (leeft ze nog?): “Ik wens nog één ding: dat er opnieuw begijnen zouden komen. Ik heb gehoord dat er opnieuw vrouwen zijn die onze levensstijl willen volgen”.

En ik herinner mij uit mijn godsdienstlessen dat de Heilige Geest waait waarin Hij wil. Oorspronkelijk was die Heilige Geest vrouwelijk, Sophia, gesymboliseerd door de duif, van oudsher het attribuut van de moedergodin. Moge de eventueel nieuwe begijnen dan ook door de goddelijke duif geïnspireerd zijn, zodat na al die eeuwen de vrouw opnieuw de plaats moge betreden waar zij recht op heeft, in alle kerkelijke functies gelijkwaardig aan de man. Zo heeft Christus het gewild en zo bracht Hij het tot uiting in zijn liefde voor Maria Magdalena, het stichtende voorbeeld voor de begijnen.

 

 

Tekst: Corry Geijsen