Magische draken.

Door de relatief kleine zaal waarin de geselecteerde objecten van de tentoonstelling over draken in het Stammuseum te Gent zijn uitgestald krijgt men als bezoeker de fascinerende ervaring in de magische wereld van de draken te worden ondergedompeld. Wat me onmiddellijk vertrouwd voorkwam was het beeld van de heilige Amandus, want ik ben geboren en getogen in de vroeger autonome gemeente aan hem gewijd: Sint-Amandsberg.       Hij leunde met zijn voet op een gedode draak en in een hand hield hij een kerk omklemd. Het zal wel niet de bedoeling van de organisatoren geweest zijn , maar het beeld vertaalde exact mijn overtuiging: de kerk is mede ontstaan door het doden van wezens die men draken noemde. Het concept van de zeer geslaagde tentoonstelling is louter rationeel opgevat, dit verraadt onder meer de titel van het boek “draken, beesten van verbeelding (daar verkrijgbaar) van Peter Nissen en Sanne Verdonck. Zo ziet men in de zaal naast de opengesperde muil van een krokodil  de afbeelding van een dito muil van een draak: opmerkelijke overeenkomst. Eerst stelde men draken als slangen voor (jaja ,reptilians) en toen de kruisvaarders met Nijlkrokodillen geconfronteerd werden kregen ze hun uiterlijke verschijningsvorm mee.       Het pronkstuk van de tentoonstelling is het paradekostuum van een Chinese generaal (19de eeuw), rijkelijk met draken versierd. In het oosten worden draken namelijk vereerd om hun scheppende en vruchtbare macht. De wijzen kwamen uit het oosten, dit staat ergens in de bijbel. Ik heb dikwijls met Japanse toeristen gegidst. De draak boven het Gentse belfort als beschermer van de stedelijke vrijheden begrijpen ze maar al te goed, maar het beeld op de St.-Michielsbrug van de aartsengel Michaël die de draak bestrijdt als symbool voor het kwade begroeten ze met een spottende grimlach, waar oosterlingen het patent voor hebben.  Zeer leuk is het biologisch gedeelte, onder meer allerhande dieren op sterk water die mee hebben geholpen aan het ontstaan van de drakenmythe: hagedissen, vleermuizen , vliegende draakjes (draco volans).        De kers op de taart is hier wel de bombardeerkever : twee giftige stoffen mengen zich in het lijfje van het kleine diertje zodat hij het kan klaar spelen een bloedhete exploderende stof (500 pulsen per seconde) uit zijn muiltje te spuwen om vijandelijke insecten te doden. Op een scherm ziet men hem vergroot bezig. Enig ! Een vuurspuwend kevertje dat model heeft gestaan voor de gevreesde vuurspuwende draak. Ik kon nauwelijks een luide lach bedwingen, me er wel nederig van bewust dat mijn hypothese over magische draken bij velen ook een schaterlach zal uitlokken. Blijven we voor de draken in Gent, maar maken een flinke reis in de tijd.

Draken als een geschenk uit de hemel

Gent – 1577. Midden in de bloedige godsdiensttroebelen namen de calvinisten de macht in Gent en regeerden gedurende 7 jaren op een strenge theocratische manier. De toenmalige machteloze katholieke kerk moest vol frustraties toezien dat vele Gentenaren calvinistisch werden, niet uit geloofsovertuiging (dit kon hun geen bal schelen) maar uit een mix van opportunisme en wraakzucht. Hun woede richtten de Gentenaren vooral op het klooster van de Dominicanen  (het huidige pand aan de Leie, nu eigendom van de universiteit), vooral de enorme bibliotheek moest het ontgelden. Er werden zo veel boeken in de Leie geworpen dat de Gentenaren droogvoets de Leie konden doorwaden, louter op de boeken stappend. De dominicanen waren zeer nauw betrokken bij de inquisitie, vandaar de ongebreidelde woede. Het waren die monniken die de namen van ketters, (het krioelde ervan in Gent…nu nog in feite!), heksen, anabaptisten of wederdopers en de volgelingen van Luther en Calvin overmaakten aan de Raad van Vlaanderen, het opperste gerechtshof zetelend in het Gravensteen. En daar lagen de marteltuigen reeds klaar en stonden de brandstapels opgesteld voor dat zootje ongeregeld. En toen rukte Farnese (1584) met het katholieke leger vanuit Spanje op en herstelde het katholieke bewind in de Arteveldestad. In een vergevingsgezinde bui liet hij de echt overtuigde calvinisten (er waren er maar bitter weinig) vluchten naar de noordelijke Nederlanden. Het satanische pad naar de hel werd afgesloten, het goddelijk pad naar de hemel heropend. Maar de Gentenaren sleepten zich met weinig enthousiasme voort op dit gehate pad. De stedelijke overheid en de geestelijkheid ondernamen alle mogelijke pogingen (renteloze leningen, feestelijkheden, rijk versierde barokke bouwkunst..) om het katholiek geloof weer aantrekkelijk te maken. Maar het verhoopte succes bleef uit, tot draken in de hemel ter hulp kwamen 

 

 

Over de gebeurtenissen op 18 augustus 1586 te Gent had ik het reeds in mijn vorig artikel: draken aan de hemel tijdens een hevig onweer, mensen die plots verdwenen. Laten we het eens (uitzonderlijk !) bij een louter rationele verklaring houden: diverse mensen raakten in paniek door het ongemeen hevige onweer en hallucineerden, ontevredenen met de huwelijkse staat maakten van de ontreddering gebruik om hun bazige vrouw of hun agressieve man te ontvluchten. Dan nog zullen de toenmalige geestelijken de gebeurtenissen gretig aangewend hebben om donderpreken te houden waarin de draken  boven Gent als een wraak van God werden bestempeld om de Gentenaren te straffen omdat ze het verkeerde, duivelse pad van de reformatie (de term protestanten kwam pas later in voege)hadden betreden. In menige kerken zal men intens hebben gebeden: van de draken bevrijd ons heer. Maar in vroegere tijden, toen het katholicisme zich verspreidde over het westen, was het anders, zelfs totaal tegenovergesteld. De verspreiders van het nieuwe geloof hadden de touwtjes zelfzeker in handen en creëerden de gebeurtenissen zelf, draken incluis.  Uit die periode selecteerde ik 3 klassiekers : Martha, Columba en Sint-Joris. Maar wie vertelde ons hun geschiedenis en hoever waren ze betrouwbaar ?

Op zoek naar betrouwbare verslaggevers 

Voor Sint-Joris en Martha komen we terecht bij Jacobus de Voragine (1228 – 1298). Deze Italiaanse dominicaan bracht het tot aartsbisschop van Genua. In 1265 vervolmaakte hij zijn omvangrijk werk “Legenda Aurea”, een bonte verzameling van heiligenlevens. We kunnen het omschrijven als een volumineuze reclamefolder voor de verspreiding en verdediging van het katholiek geloof: prachtig geïllustreerd, boeiend geschreven (talrijke vertalingen, zodat het ook in de volkstaal kon gelezen worden), en eigen aan een reclamefolder: niet altijd betrouwbaar, soms verfraaide hij zijn verhalen of vulde ze aan met gegevens uit de klassieke mythologie, vooral als de draken hun intrede deden, zoals het verhaal waarin Perseus Andromeda uit de klauwen van een zeemonster bevrijdde. Vooral door zijn verfraaiingen betrouwen de meeste historici hem niet. Nochtans had hij zijn huiswerk zeer grondig voorbereid: geduldig en nauwkeurig had hij alle verhalen en verslagen (ik gebruik niet graag het woord legendes)over de heiligen verzameld. Het blijft dus een kwestie van believers en non believers. Ik behoor tot de laatste groep, althans wat de algemene lijnen van zijn verhalen betreft. Wel merkwaardig is zijn relaas over Margaretha van Antiochië (ten tijde van keizer Diocletianus): een draak begon haar te verslinden , haar hoofd was reeds in zijn muil verdwenen, maar na een vurig gebed verdween de draak plots en zij bleef ongedeerd. Dit werd echter niet gevolgd door de bekende bekering van heidenen. Voragine meldt ons dan ook droogjes dat hij dit verhaal niet gelooft. Nog merkwaardiger is dat als onderdeel van een muurschildering we Margaretha met haar draak aantreffen in de crypte van de Sint-Baafskathedraal en dit pal naast Johannes de Doper. In één van mijn vorige artikelen bepleitte ik dat die afbeelding van Johannes de Doper een belangrijk geheim van de tempeliers openbaart (namelijk over Baphometis). Rijst onmiddellijk de fascinerende vraag welk geheim hier de afbeelding van Margaretha en haar draak verbergt. Een suggestie: de vrouw is  hier aan het experimenteren met een vorm van magie ook door  de tempeliers aangewend. Straks daarover meer.

De biograaf van Columba, Adamnan (7de eeuw), de negende abt van het klooster Iona is in zijn “Vita Columbae” heel wat betrouwbaarder. Iona is een klein eiland voor de westkust van Schotland behorend tot de Hebriden. Columba stichtte er een beroemde abdij (563) die door de vikingen werd verwoest en in 1966 door de Iona community herbouwd. Deze geestelijke orde (kent geen celibaat) streeft een oecumenisch doel na en telt leden uit diverse godsdiensten en landen. Ook new-agers bezoeken regelmatig het prachtige eiland, te bereiken vanuit de haven Oban en als spiritueel centrum gelijkaardig aan Glastonbury. 

Draken presteerden beneden alle peil 

 

Als een wel zeer late jeugdzonde schreef ik ooit de tekst “machten van het kwade” waarin ik onder meer betoogde dat draken emanaties (materialisaties dus) waren van die machten. Dit was wel heel kort door de bocht omdat demonische manifestaties zich voornamelijk uiten door die unieke mengeling van wreedheid en verleiding. Dit had ik over het hoofd gezien. Een sprekend voorbeeld hiervoor is een gedeelte van de ufofenomenen: enerzijds ijzingwekkende ontvoeringen van en genetische experimenten op mensen, en anderzijds de hoopvolle belofte dat de aliens hier de hemel op aarde zullen brengen.       Om dit beter te begrijpen steken we eens ons licht op bij de alternatieve joodse religie (het boek der Jubileeën en de boeken van Henoch). De gevallen engelen hadden voor de zondvloed een menselijke gedaante aangenomen (zonen van de hemel) om te copuleren met menselijke vrouwen om de nefilliem of monsterlijke reuzen te verwekken, na de zondvloed werden de gevallen engelen opnieuw loutere geesten. Jahweh had het besluit genomen hen naar het diepste der aarde te verbannen, maar hun leider Mastema, ook wel de contra-schepper genoemd, slaagde erin te onderhandelen met Jahweh en bekwam dat één tiende der demonen als geest op aarde mocht verblijven om te trachten de toekomstige mensheid te misleiden door hun aanlokkelijke leugens. Een soort sinistere proef om af te wachten wie de mensen zouden volgen; Jahweh of de demonen. Welnu, van dit verleidingsaspect vinden we niets bij de drakengeschiedenissen. Wanneer de machten van het kwade de strijd aangaan met hun tegengestelde krachten ontstaat een lang en afgrijselijk gevecht waarvan de uitkomst niet bij voorbaat gekend is. Niets daarvan ook bij onze draken. Integendeel, de temmer of doder van die draken weet zelfbewust zonder enige vorm van vrees waaraan hij begint. Het gevecht is een schijngevecht, de draak laat zich bijna willoos doden of temmen. En steeds is een massale bekering van heidense volkeren de inzet. Ik zie maar één verklaring voor al die tegenstellingen : het gebruiken van grimoires.

 

GRIMOIRES ALS SLEUTEL

 

In feite creëerde Aleister Crowley zelf de mythe dat hij het door Columba gedode zeemonster van Loch Ness terug tot leven gewekt heeft. In zijn memoires “Confessions” verklapt hij ons dat hij in 1899 erin geslaagd is een invocatie te bewerkstellingen van het monster door het toepassen van Abramelin-magie in het huis Boleskin nabij het toen nog niet beruchte meer. Over de ware toedracht laat hij ons in het ongewisse, want hij onthult meer over het horrorhuis dan over de aanroeping. Zijn biograaf John Symonds (schreef 4 werken over de magiër) licht een tipje van de sluier op , doch hetgeen tevoorschijn komt is eerder ontnuchterend en uiteraard voer voor sceptici. Het magisch gebeuren betrof enkel een visioen van Crowley waarin hij besprongen werd door draken die hij door gedachtekracht liet verdwijnen. Van meer belang is dat hij voor dit alles een grimoire of toverboek gebruikte : het boek van de magiër Abra-Melin uit 1405. De daarin beschreven rituelen werden door Crowley (door angst?) niet volledig uitgevoerd. Grimoires zijn de bijbels voor het beoefenen van rituele magie. Ze bieden de magiër de mogelijkheid om door te dringen in de parallelle wereld van demonen en lagere astrale entiteiten (waaronder m.i. draken) en om die wezens tijdelijk in onze wereld te laten materialiseren. Zo zijn ze totaal onderworpen aan de  wensen van de magiër en kunnen ze handelend (zelfs dodelijk) in de stoffelijke wereld ageren. De magiër kan dit slechts  bereiken na uiterst gedetailleerde voorbereidingen en juist uitgevoerde rituelen. Deze grimoires werden geschreven of kwamen tevoorschijn (meestal uit de gesloten gemeenschap van een klooster) in de 15de en 16de eeuw. Het boek van Abra-Melin, waardoor Crowley als kersvers lid van de Golden Dawn zijn eerste treden op het magische pad waagde, is een reisverslag van Abraham van Worms in Egypte waar de magiër uit de titel hem inwijdde. Nog beroemder is de Clavicula Salomonis (de sleutel van Salomon) waarvan occultisten overtuigd zijn dat het inderdaad stamt uit het tijdperk van de joodse koning Salomon (10de eeuw v.Chr.) die een tempel bouwde om de ark des verbonds in onder te brengen. Om zijn befaamde tempel te bouwen riep hij (althans volgens de joods esoterische traditie) demonen op, onder meer door de magische symbolen van de vijf- en zespuntige ster aan te wenden , respectievelijk het pentagram en het hexagram. 

 

Ter herinnering hieraan (later legde men de link niet meer) vindt men de Davidster nog dikwijls op de binnen- of buitenmuren van kerken en kloosters.. In 2008 ontdekte men in Jordanië enkele metalen pagina’s (2000 jaar oud) met het allereerste portret van Christus en het verhaal vermeldend dat de profeet geen nieuwe godsdienst wou stichten maar de oorspronkelijke joodse religie van de koningen David en Salomon wou herstellen (bron: uitgebreid artikel in het nieuwsblad). Een van de consequenties hiervan is ongetwijfeld dat Jezus en zijn volgelingen (die laatsten waren wel bezeten om een nieuwe godsdienst te stichten) de eerste grimoires moeten gekend hebben, later de monniken. Uit de beschikbare bronnen weten we dat Jezus enkel demonen bestreed en ze niet opriep, maar volgelingen konden dit in hun bekeringsijver wel gedaan hebben en zo verschenen de draken, door juist uitgevoerde magie succesvol  gebruikt om heidense volkeren te bekeren. Hilarische onzin ? Mogelijk, maar bied me dan een plausibele uitleg voor de duidelijke conformiteit in de drakenverhalen.

 

 

Tekst: Corry Geijsen                                                                                        Illustraties: Patrick Coucke