Bloed en sperma vloeien rijkelijk in het oude testament , maar toch is de tekst quasi onleesbaar, vooral in de vroegere vertalingen in bijna archaïsch Nederlands. En toen kwam de Nederlander Guus Kuijer die alles in 6 delen herschreef en ze de originele titel meegaf: “de bijbel voor ongelovigen”. De insteek is nog origineler, telkens wordt een deel van het grote verhaal door iemand anders verteld, meestal vrij onbekenden, soms zelfs uitgestotenen of vervloekten. Zoals Cham, de zoon van Noach, deze laatste

vervloekte het nageslacht van zijn zoon. De boeken lezen als uiterst spannende thrillers, ook hier zijn bloed en sperma overvloedig aanwezig, maar alles wordt afgewisseld met humor en romantiek. De humor is soms bijtend sarcastisch, hoe kun je bij mij nog een zoon verwekken, als Jahweh eist dat je een stukje van je lul laat afsnijden, snauwt Sarah haar man Abraham toe. Soms weerklinkt milde humor, bijvoorbeeld als Ben-Oni (de eerste naam voor Benjamin) het meest rare, maar ook meest ongekende fragment uit het OT vertelt, het gevecht van zijn vader Jacob met god die de gedaante van een mens had aangenomen. Het hevige gevecht duurde een gehele nacht maar bleef onbeslist, God kon enkel nog lispelen, want hij verloor enkele tanden, en Jacob bleef voor de rest van zijn leven manken, want hij kreeg nog een gemene naschop van zijn god. Toen zegende god hem en kreeg hij een nieuwe naam: Israël, hetgeen betekent: hij die vecht tegen god. Eventjes buiten de lijntjes kleuren: islam betekent : hij die zich onderwerpt aan god, en soms lees je ook ontroerende liefdesverhalen, zoals dit van Jezebel, de dochter van de koning van Tyrus, en haar echtgenoot Achab, koning van Israël. Jezebel werd door de joden voor hongerige wilde honden geworpen. In 1951 werd ze door die onnavolgbare rauwe stem van de Amerikaanse zanger Frankie Lane vereeuwigd.   En ja, Jahweh is de god die ik ook reeds had omschreven: gehuwd met de Kanaänitische godin Asjera en in vergadering met goden van andere volkeren. De schrijver noemt zichzelf een atheïst, maar alle vertellers, volgens mij afsplitsingen van zichzelf, worstelen met dezelfde existentiële vraag: waarom is de god van de Hebreeën toch zo jaloers en gewelddadig: enerzijds gul beloningen uitdelend aan fundamentalistische volgelingen die alles voor hem over hebben en anderzijds zonder enig medelijden hem vijandig lijkende volkeren (de Amorieten bijvoorbeeld) laat uitmoorden. De schrijver (in feite de verteller van het ogenblik dus) moet nu eenmaal de draad van het Bijbelse verhaal volgen, maar stelt met duidelijk ongenoegen vast dat Jahweh altijd als overwinnaar uit de strijd komt. Na de plagen van Egypte laat uiteindelijk de farao de Hebreeuwse slaven vertrekken. Omdat hij niet wil dat het nageslacht zou weten dat Jahweh machtiger is dan de overbekende en gevreesde Egyptische goden geeft hij het bevel dat niets hierover mag vermeld worden. Hiermee lost de auteur wel heel sluw een historisch vraagstuk op: nergens wordt de uittocht uit Egypte vermeld. Maar nu iets persoonlijks: één zin uit de boekenreeks trof me diep, omdat ze een vroege wonde opnieuw open reet, een mij voorgelegd bijbels raadsel dat ik niet kon oplossen. Adam verwijt Jahweh dat hij tegen hem gelogen had, hij met zijn vrouw en kinderen waren niet alleen op de wereld. En nu werd alles voor mij opgelost. Laat me uitleggen.  

Ze waren met meer dan drie.

Toen ik als hulptoezichter ging werken in het MSK te Gent was mijn reputatie mij voorafgegaan. Een toezichter, iemand met een ruwe bolster maar een gouden hart, sprak me aan: jij die alles lijkt te weten over Bijbelse onderwerpen, zou je tussen pot en pint voor mij een bijbels raadsel kunnen oplossen, want ik werd er bijna van school van geschopt. Bij de pint (blauwe Chimay, 9 graden) luisterde ik naar zijn wel fascinerend verhaal. Als leerling van de vakschool (dit noemde toen zo) Glorieux te Oostakker maakte hij tijdens de godsdienstles wel een provocerende opmerking: volgens de bijbel stammen we dus allemaal af van Adam en Eva en hun kinderen. We zijn dus allemaal ontstaan door bloedschande, een mooi verhaal is me dat. Door die onbeleefd geuite, maar wel terechte opmerking, werd hij prompt van school gestuurd. Enkel door langdurige tussenkomst van zijn ouders werd hij opnieuw toegelaten. Over de Bijbelse versie werd door de leraar een soort compromis gevonden: god had voor een mirakel gezorgd. Incident gesloten. Wat is jouw oplossing voor dit probleem, wierp mijn collega uitdagend voor mijn voeten. Ik wist eerlijk gezegd niet wat te antwoorden. Eerst meende ik een beroep te doen op Lilith, je weet wel , volgens de kabbala de eerste vrouw van Adam, die door god in de hel werd geworpen omdat ze tijdens de coïtus niet onderaan wou liggen, maar ik kende toch geen verhaal waarin Lilith het met een zoon van Adam en Eva had gedaan. Ik gebruikte dan maar een dooddoener: je mag de bijbel niet letterlijk interpreteren. Ik moest het toegeven, ik had glansrijk verloren en kon het probleem niet oplossen. Nu neem ik het mezelf nog altijd kwalijk dat ik er de bijbel niet had bijgehaald. Want daarin gaat het verhaal als volgt: Caïn had Abel vermoord, dus waren ze nog maar met drie mensen op aarde. Dat dachten ze althans. Toen verscheen Jahweh en gaf Caïn een teken op het voorhoofd, enerzijds als een soort vervloeking, anderzijds als bescherming. Hij werd uit het hof van Eden verbannen (dit was reeds bij Adam en Eva gebeurd, er bestonden dus twee dergelijke hoven) en door dit teken zou hij niet door mensen buiten dit hof gedood worden. Inderdaad, Jahweh had gelogen tegen Adam: ze waren niet alleen op aarde. Het zogenaamde eerste mensenkoppel kreeg nog andere kinderen, onder meer de zoon Seth, die verliet vrijwillig het befaamde hof om op vrouwenjacht te gaan, met succes. Probleem opgelost, niemand pleegde incest, er waren nog andere mensen op aarde. Maar er komt wel een hemelsgroot ander probleem op de proppen. Waar kwamen dan die andere mensen vandaan, wie heeft ze geschapen? Waren de schrijvers van die bijbelse tekst (of de entiteiten die hen inspireerden) zo naïef dat ze het probleem niet zagen? Nog dit, we verwijzen niet naar de evolutieleer, geen mix van religie en wetenschap (is voor mij, voorlopig althans, onmogelijk), maar wenden ons tot louter religieuze bronnen, vooral de niet orthodoxe. 

Een fatale verbanning. 

Er staat veel ballast in de bijbel, onnodige herhalingen, gegoochel met cijfers waar numerologen zich in de vreemdste bochten wringen om er toch nog iets zinnigs uit te persen. En dan verschijnt plots een belangrijke boodschap, verpakt in een blijkbaar banaal zinnetje. Ik noem dit een literaire goocheltruc, eigen aan gechannelde informatie waar mij, alle zogenaamde heilige boeken kunnen ondergebracht worden. Zo zag god na iedere scheppingsdaad in de Genesis dat het goed was. Dit vereist toch een referentiepunt, m.a.w., hij schiep ooit iets dat niet goed was. Bij de schepping van de mens meldt men zelfs dat het zeer goed was. Ongeveer 200 v. Chr., werd de Septuaginta, de Griekse bijbelvertaling samengesteld. De traditie wil dat gedurende 72 dagen te Alexandrië, 72 geleerden uit Israël hieraan werkten. Ze kwamen allemaal tot hetzelfde resultaat, woord voor woord. In de Vulgaat, de Latijnse vertaling, luidt de eerste zin: In den beginne schiep God de hemel en de aarde. In het Grieks komt er een adjectief bij: de onzichtbare aarde. In zijn in 1954 verschenen “Ochema” (over de fijnstoffelijkheid, nog steeds als een esoterisch standaardwerk beschouwd, ik beschik over een driedelige latere versie) interpreteert de theosofische filosoof Poortman onzichtbaar als fijnstoffelijk, een astrale planeet aarde dus. In zijn derde deel gaat hij onder meer verder op de Genesis in. Vooral de volgende tekst trekt zijn aandacht: En de Heere God maakte voor Adam en zijn vrouw rokken van vellen en toog ze hun aan. Natuurlijk dacht men hier altijd dat na de zondeval Adam en Eva kleren nodig hadden om hun naaktheid te bedekken. Poortman opteert echter voor een symbolische duiding: ze veranderden van fijnstoffelijke naar stoffelijke lichamen. Ik ga nu nog een paar gewaagde stappen verder: ze werden van de onzichtbare, astrale aarde (sommige occultisten noemen die de planeet Ostera) naar onze aarde verbannen. En daar woonden al mensen: diegenen die god niet goed vond. Als we die redenering consequent verder durven doortrekken moeten we besluiten dat alle mensen (uiteraard homo sapiens) zowel iets goddelijks als iets niet goddelijks in zich hebben. En sommigen zijn misschien iets meer goddelijk dan anderen. En dan heb je de happy few die de uiterst zeldzame goddelijke eigenschap bezitten: ze hoeven niet te sterven, ze worden lichamelijk in de hemel opgenomen. Ik heb het over de metatrons. Nemen we ze eventjes onder de loep.  

Over hemelvaarten.

Als men het in de bijbel over “de vrome voorvaderen uit de grijze voortijd” heeft eindigt ieder levensverhaal over hen met het kleine zinnetje : en hij stierf. Lijkt de logica zelve, maar als het telkens herhaald wordt klopt iets niet. Het is alsof het niet voorzien was dat hij stierf. En ja, bij eentje wordt het anders geformuleerd: en Henoch wandelde met God en hij was niet meer, want God had hem opgenomen. We zouden nu schrijven: hij steeg ten hemel. In feite wordt weinig over hem in het OT verteld, pas in de 18de eeuw ontdekte men in Ethiopië het boek Henoch. Dit apocalyptisch geschrift is uiterst merkwaardig: het verhaalt niet enkel het ontstaan van demonen (gevallen engelen) maar beschrijft ook uitvoerig een reis van Henoch doorheen de kosmos. Er worden maar twee hemelvaarten in het OT vermeld: een tweede is die van de profeet Elia die met een vurige wagen ten hemel wordt opgenomen. Wijlen professor Quispel, de autoriteit van gnosis en ontstaan van het christendom, zei ooit eens schertsend dat bij de canonisatie van de heilige schriften de katholieken een haagschaar gebruikten, maar de joden zich van een bulldozer bedienden. Het puin dat na de bulldozer overbleef kwam terecht in boeken die men de pseudepigrafen noemt. En dan wordt de lijst van de hemelvaarders groter: Adam, Seth, Sem (zoon van Noach), Jacob-Israël en Mozes. Die namen worden bevestigd door de Nag Hammadi documenten in 1945 te Egypte ontdekt. Trouwens, die namen (met uitzondering van Mozes) komen ook voor in het geslachtsregister van Jezus volgens Lucas. In “het testament van Abraham” wordt Adam beschreven als een wonderbaarlijke man, getooid met heerlijkheid en zittend op een gouden troon. Dit beeld is typisch voor de merkawamystiek en verwijst inderdaad naar een metatron (naast de troon) die ten hemel is opgestegen. Maar die verticale reis is niet enkel aan joden (de katholieken kennen uiteraard ook de hemelvaarten van Jezus en Maria) voorbehouden. Ook in andere culturen treffen we die aan. Twee voorbeelden. 

Profane bedevaarten. 

De Romeinse geschiedschrijver Titus Livius was een goede vriend van keizer Augustus. In 142 boeken beschreef hij uitvoerig de geschiedenis van de eeuwige stad. Over Romulus, de legendarische stichter en eerste koning van Rome dist hij ons een leuk verhaal op. Zoals naar gewoonte sprak de koning recht op de met bomen begroeide Palatijn. Plots werd hij opgetild en zijn lichaam verdween in de ijle lucht. Ook Romulus ' vrouw werd toen ze haar man beweende ten hemel opgenomen. Volgens mij sluiten die hemelvaarten naadloos aan bij hetgeen Homeros ons in de Ilias en de Odyssee over de Griekse goden vertelt. Als gevolg van de oorlog van Troje was het Palladium van Troje naar Rome verhuisd. Ook de Aeneas van Vergilius vertelt het verhaal verder. Het Palladium was een relatief klein beeldje van Pallas Athena, de Griekse godin van de wijsheid. Het beeldje had een enorme spirituele kracht. Door het naar Rome over te brengen werd die toen onbeduidende plaats door de goden bestemd om zowel politiek-militair als spiritueel een nieuw wereldcentrum te worden. De eerste koning ervan en zijn vrouw werden door de goden beloond met een retourreisje naar de hemel van de goden. Want dit was het, van de alles behalve goddelijke aarde terug naar volmaakte spirituele gebieden. Daar waar de mens oorspronkelijk thuishoorde. Ook het sjamanisme vertolkt dit laatste standpunt.

De in 1986 overleden Roemeense antropoloog Mircea Eliade bestempelde het sjamanisme (shamanisme: archaic techniques of ectasy) als de oergodsdienst van de mensheid. Ook hemelvaarten interesseerden hem mateloos. Hij geloofde dat volgens het sjamanisme sjamanen lichamelijk de wereld van de tovenaars (het sjamanistische equivalent van de katholieke hemel) konden bereiken en de sjamanen dat nu enkel kunnen via hun geest tijdens extase.

Nochtans blijft het lichamelijk betreden van de wereld der tovenaars het uiteindelijk doel van sjamanisme. En toen verschenen vanaf de zeventiger jaren in de vorige eeuw de boeken van Carlos Castaneda, ook bij ons razend populair, waarin hij op relatief nederige wijze, maar ongemeen boeiend verteld, zijn inwijdingen van en fantastische ervaringen met de indiaanse sjamaan Don Juan uit Mexico uiteenzet. De hemelvaart noemt Castaneda de derde aandacht. Op het einde van zijn vierde boek “kennis en macht” is het uiteindelijk zo ver. Op de rand van een plateau ergens in Mexico staan ze met z'n vieren: Don Juan, Carlos, Genaro en Pablito, Don Juan en Genaro losten in de duisternis op. Carlos en Pablito renden terwijl ze elkaars arm vasthielden naar de rand van de afgrond en sprongen. Plots was Carlos alleen. Bij hem was het dus mislukt. Uiteraard, anders kon hij geen bestsellers meer produceren. Trouwens, in het voorwoord van zijn volgende werk (de tweede machtsring) laat hij ons in het ongewisse over wat nu eigenlijk is gebeurd, het kon zelfs een louter visioen geweest zijn. Nu is bijna iedereen ervan overtuigd dat Castaneda (overleden in 1998) over de gehele lijn gelogen heeft. Zijn nederigheid maakte in zijn latere werken meer en meer plaats voor de arrogantie van een zelfverklaarde goeroe. Maar toch heeft hij één grote verdienste: hij kon zijn ontelbare lezers laten dromen over het lichamelijk ontvluchten van een wereld waarvan god zag dat zij (inwoners incluis) niet goed was.

 

 

 Het trucje heb ik overgenomen van professor Vermeersch, god beschouw ik als een soortnaam, namelijk de oorlogsgod van de Hebreeuwen, dus kleine letter, Hij heeft dan ook niets te maken met het Opperwezen.

 

 

Tekst: Corry Geijsen                                                                                                   Illustratie: Patrick Coucke