275 v, Chr,  het Griekse heiligdom Delphi.  

 

Het was nu of nooit voor de bosgod Pan. Hij was het meer dan beu dat men hem dierenoffers bracht in kleine grotten aan hem gewijd om een of andere vijand bang te maken, want hij bezat het vermogen om het even welke vorm aan te nemen en zo iemand doodsangst te bezorgen. 

Jawel ons woordje paniek is hiervan afgeleid. Men spotte ook met zijn aartslelijk voorkomen en zijn grote penis waarmee hij zelfs de bronstige elfen niet kon verleiden, waardoor hij ze maar verkrachtte. Ooit had hij het verslagen Perzische leger na de slag bij Marathon weggejaagd door de vleermuisvorm van Ahriman, hun god van het kwade, aan te nemen, maar hun chaotische vlucht had eerder met oorlogsmoeheid dan met doodsangst te maken. De Grieken hadden dit door, eerden hem, maar toch ontwaarde hij de spot in hun zielen. Nu was het menens. Nabij het Griekse orakel stonden twee machtige legers tegenover mekaar. De Griekse hoplieten hadden zich schouder aan schouder in de beruchte falanx opgesteld: een dodelijke en ondoordringbare muur van lansen en schilden. Het Keltische leger, dat de schatten van Delphi wou plunderen, probeerde de Grieken schrik aan te jagen door hun vreemd uiterlijk: gehuld in dierenhuiden, soms naakt, haren met kalk en leem ingesmeerd. De krijgers brachten zichzelf in extase zodat ze zich onkwetsbaar achtten. Die trance moest Pan nu elimineren. Voor de verschijningsvormen van hun eigen boosaardige goden, ijzingwekkende hybride vormen, waren ze niet bang te krijgen, want de druïden hadden ze daarin getraind. Hij probeerde het dan maar door beroep te doen op exotische, hun totaal onbekende griezels. En het lukte, hun extase smolt als sneeuw voor de zon, tegenover het totaal onbekende stonden ze machteloos. Ze bonden toch de strijd aan, maar met door de spieren verlamde angst kun je niet overwinnen. Ze kozen het hazenpad. Deze keer apprecieerden de Grieken hem, uit dankbaarheid kreeg hij een grot als heiligdom aan de rand van de Akropolis. Maar toch wist Pan dat de komende generaties zouden blijven spotten met zijn lelijkheid. Nu koesterde hij het plan om de mensen de baas te worden, hij zou niet meer tevreden zijn met dierenoffers, hij zou de aardbewoners geen schrik meer aanjagen maar ze juist voortoveren wat ze verlangden te zien om ze zo in het verderf te storten. De naam grote god Pan zou met het grootste ontzag worden uitgesproken. Door zijn afkomst kon hij geen ereplaats op de Olympus innemen, maar zijn invloed op aarde zou veel verder reiken dan de door de mensen bewonderde Olympische goden. 

curriculum vitae van de grote god Pan

 

Vraag aan om het even wie hoe de duivel eruitziet en je krijgt steevast als antwoord: iemand met een staart en de poten en horens van een bok. Als de ondervraagde zich wat verdiept heeft in heksenprocessen voegt hij er nog aan toe: en met een grote penis. 

Dit is ten voeten uit de afbeelding van de grote god Pan. Het katholieke demoniseringsproces heeft zo grondig gewerkt dat het archetypische beeld van de duivel zich voor goed in ons collectief onderbewustzijn heeft geankerd. In feite was Pan het kind van de Griekse god Hermes en Penelope, nog steeds als voorbeeld van echtelijke trouw aan haar man Odysseus voorgesteld. Maar toch deed ze het eens met een god en het kind Pan was reeds bij zijn geboorte zo aartslelijk dat hij door zijn moeder naar het rijk van de nimfen en de elfen werd verbannen. Hij werd een onverbeterlijke wellusteling, maar door zijn lelijkheid kon hij geen enkele elf of nimf verleiden. Hij verkrachtte ze dan maar. Panos gamos (Panhuwelijk) is trouwens de Griekse term voor verkrachting. En toen werd hij smoorverliefd op de nimf Syrinx, maar het was niet wederzijds. Toen hij haar dan maar wou verkrachten bad ze tot Zeus. Die veranderde haar in een rietstengel. Smachtend bracht Pan de rietstengel aan zijn hart en sneed die in zeven stukken en maakte er een fluit van, nog steeds bekend als pansfluit. Met tranen in de ogen blies hij erin en zo ontstonden de onvergetelijke melancholische eerste klanken van de pansfluit. Weemoed en melancholie vormen nu eenmaal de grondtonen van de elfenmuziek, want eenmaal leefden ze onder de mensen, maar door onduidelijke redenen werden ze in een parallelle wereld verbannen. Maar de elfjes hielden enkel van de muzikale fluit van de grote god Pan, en hij moest noodgedwongen opnieuw overgaan tot verkrachten. En deze keer greep Zeus niet in. Zijn vriendschap met de god Dionysos was eveneens een bron van frustraties. Beiden werden dikwijls samen gezien in de Griekse bossen, want ze konden zich moeiteloos verplaatsen van de wereld van elfen, faunen en nimfen in de onze. Dionysos was eveneens de vrucht van een vrijpartij van een god (Zeus) met een menselijke vrouw (Semele). Hij was de god van de wijn en de seksuele extase en werd geacht aan vrouwen alle geheimen van de kosmische seksuele energie te onthullen. Vrouwen kwamen hem dan ook in het geheim in de bossen opzoeken. Voor Pan toonden ze geen enkele interesse. Papa Zeus klom op van een eerder onbeduidende Kretenzische vruchtbaarheidsgod tot de Helleense oppergod die op de Olympus over de andere goden heerste. Zijn zoon Dionysos kreeg dan ook een ereplaats op die godenberg. Ook dit voorrecht werd Pan niet gegund. Maar ook de mensen vernederden hem. Paradoxaal genoeg ontstond zijn verering in Arcadië, een bergachtig gebied in centraal Griekenland dat later zijn naam gaf aan de imaginaire, idyllische streek waar gelukkige herders de liefde op bijna goddelijke wijze bedreven. Maar in het echte Arcadië werd na een tijd een lelijke verkrachter veracht. In het voorjaar werd er de lelijkste man uitgekozen om Pan te verpersoonlijken. Men zette hem horens op, ontkleedde hem, en met takken op de genitaliën geslagen werd hij weggejaagd.                                        Meestal kwam hij niet terug !  

dood van de grote god Pan

 

De meest merkwaardige klassieke historicus is ongetwijfeld de Griek Plutarchus. Als ernstige geschiedschrijver vermeldde hij enerzijds enkel die feiten waarvoor er genoeg betrouwbare getuigen waren, anderzijds zocht hij als priester van het orakel te Delphi naar de esoterische achtergronden die geschiedkundige gebeurtenissen in de richting dreven die de goden wilden, zonder dat de mensen het beseften.

Van hem kennen we dan ook dit wel raadselachtig voorval: onder de regering van de Romeinse keizer Tiberius (14 – 37) hoorde de schipper Thamus op weg naar Italië driemaal zijn naam roepen, met het bevel aan de wereld te verkondigen dat de grote god Pan dood was. Meerdere personen moeten die uit de hemel weergalmende boodschap gehoord hebben want ten tijde van Tiberius verspreidde zich dit doodsbericht over de wereld rondom de Middellandse Zee. Het meest hiervan schrok echter de keizer zelf, want hij was ervan overtuigd dat dit bericht voor hem bedoeld was, komende van Christus, voor wie hij zeer bevreesd was. Het zat zo, in Rome had keizer Tiberius geen gezag, men spotte met hem. Om zijn talrijke vijanden uit te schakelen, onder meer leden van de Pretoriaanse wacht die hem nochtans moesten beschermen, deed hij beroep op moordenaars. Hij was de eeuwige stad beu en vestigde zich in zijn luxueus verblijf, Villa Jupiter, gebouwd op een rots op het eiland Capri. Hier gaf hij zich over aan orgieën, waarbij hij zelfs baby's van slaven betrok. Hij bleef maar moordenaars naar Rome sturen. Toen kreeg hij een afschuwelijke inval: hij zou de misbruikte baby's langzaam dood folteren en ze offeren aan de grote god Pan in de overtuiging dat de bosgod ervoor zou zorgen dat iedereen bang zou worden van de keizer. Hij kwam in het bezit van het doek van Veronica (met het miraculeus ingeprente gelaat van Christus) waardoor hij van een slepende ziekte genas. Zo begon zijn bewondering en vrees voor Christus. Toen hij het alom verspreide bericht van de dood van Pan vernam sloeg hij in paniek (hier is het woord  wel goed op zijn plaats). Hij vreesde dat het bericht uit de hemel van de christenen voor hem persoonlijk bedoeld was als intense afkeuring van zijn sadistische offers. Hij liet een wrede onderzoekscommissie samenstellen, maar de laatste geprevelde woorden van de gefolterden bleven onveranderd: de grote god Pan is dood. Niet lang daarna trof een verschrikkelijke aardbeving de Golf van Napels, een vuurtoren stortte van een klif in zee neer, waardoor zijn licht gedoofd werd. Tiberius interpreteerde dit als de laatste beschuldigende vingerwijzing van Christus en de definitieve bezegeling van zijn vervloeking. Kort daarna stierf hij totaal vereenzaamd.

Goya laat de grote god Pan uit de doden verrijzen

 

Goya (1746 – 1828) wordt als één der grootste schilders van zijn generatie beschouwd, wars van alle artistieke conventies en de weergave van de werkelijkheid, hoe afschuwelijk ook, boven het schoonheidsideaal prefererend. Zijn leven en werk werden steeds in een nevel van geheimen  gehuld. 

Die mist is nog niet opgetrokken. Hier volgt mijn visie. In 1799 werd Goya, reeds lang voor de Spaanse koningen werkend, officieel tot hofschilder benoemd van Karel IV. In 1792 werd hij reeds na een beroerte met doofheid geslagen, sindsdien had hij bijna enkel oog voor de negatieve, gruwelijke aspecten van zijn omgeving. In die uiterst cynische levenshouding schildert hij in 1800 het beroemde “Karel IV en zijn familie”, een inderdaad onbarmhartig, pijnlijk realistisch familieportret. Maar ook de lelijkheid van de koninklijke personages is niet conventioneel uitgebeeld. Reeds bij een eerste aanblik worden we getroffen door de demonische blik die vernietigend uit de ogen bliksemt van de koninklijke telgen. Een exorcist zou zijn werk hebben! Nu zou je verwachten dat Goya de koninklijke laan wordt uitgestuurd, maar integendeel, die kwaadaardige voorstelling wordt door de koning juist als een uitstraling en bevestiging van zijn macht aanzien. Vooral in zijn etsen kan Goya nu zijn ongenadig naturalisme botvieren. In zijn “Caprichos” hekelt hij kuiperijen en wantoestanden van zowel het staatsbestel, adel en kerk (hier ontstaat zijn angst voor de inquisitie). Tijdens de inval van Napoleon in Spanje is hij ooggetuige van de hemeltergende gruwelijkheden van de oorlog, eveneens met beklemmend realisme geschetst in zijn “desastres de la guerra” (onlangs tentoongesteld in het MSK Gent). En dan komt voor ons het interessantste, zijn donkere periode. Nabij Madrid trekt hij zich terug in zijn villa “la quinta del sordo” (het landhuis van de dove). Algemeen wordt aangenomen dat hij nu zijn kunstenaarsblik inwaarts richt om vanuit de krochten van zijn onderbewustzijn doeken te schilderen met zwarte magie en occultisme als ondertoon. Zijn hallucinerende voorstellingen lopen vooruit op het surrealisme. Maar hebben ze wel degelijk (de gangbare mening van kunsthistorici) iedere link met de realiteit verloren? Volgens mij niet, integendeel zelfs. Bekijken we zijn “heksensabbat of de grote bok”. En hier herrijst de grote god Pan in zijn volle glorie uit de doden. Op dit schilderij wordt de belangrijkheid van de afgebeelde grote god Pan benadrukt omdat hij licht uitstraalt dat de personages verlicht, We onderscheiden : een man met een stok waaraan drie babylijkjes hangen, naast hem ligt een dood kind op de grond, een languit liggende vrouw heeft een kinderoffer onder de rokken. Nog gruwelijker details: een oude vrouw biedt Pan een uitgemergeld kind aan, doch de gehoornde bosgod verkiest een gezonder uitziende kleuter. Het schilderij dateert van 1798, inderdaad vroeg, maar Goya kende reeds zeer goed het reilen en zeilen aan het Spaanse hof. Een jaar later schildert hij dan “Samenzwering”. Hier beeldt hij Pan zelf niet af , maar we zien wel een oude heks een mand met gestolen kinderen dragend, terwijl een andere (met het afschuwelijkst aangezicht) een speld in de rug van een foetus steekt, met de klaarblijkelijke bedoeling er bloed uit te zuigen (hier bereikt Goya wel de grens van hetgeen hij wil tonen). De meeste kunsthistorici beweren dat Goya zijn inspiratie uit het 15de-eeuwse “malleus maleficarum “ (heksenhamer) haalde en de werken bedoeld waren als aanklacht  tegen de waanzin en perversie van de heksenvervolgingen. Mogelijk, maar ik heb een totaal andere hypothese. De heksenhamer gebruikte hij wel voor de picturale invulling, maar de ware inspiratie haalde hij uit zijn eigen ervaringen: de realiteit van heimelijke kinderoffers door de Spaanse koning aan de grote god Pan gebracht. Beide werken zie ik dan ook als perfecte inleiding tot zijn donkere periode, die trouwens als een catharsis functioneerde: in 1814 wordt hij door de Spaanse koning Ferdinand IV eveneens als hofschilder benoemd, maar in 1824, walgend van het Spaanse hof, vlucht hij naar Bordeaux, waar hij in 1828 overleed.  

 

 

wordt vervolgd. 

 

 

Tekst: Corry  Geijsen                                                                             illustraties: Patrick Coucke