De twee adjectieven die het best het karakter van Gent weergeven zijn de woorden rebels en magisch. Over het rebelse Gent doorheen de eeuwen verschenen reeds talrijke werken en in een reeks artikelen beschreef ik diverse magische en esoterische aspecten van Gent. Nu ga ik met jullie op zoek naar magische tekens en symbolen daar waar ze het meest te vinden zijn in Gent: de Vrijdagmarkt en het Patershol, waar trouwens rebellie en magie dikwijls hand in hand gaan.

Als kind vergezelde ik dikwijls mijn ouders die naar iets unieks op zoek waren in een joodse antiekwinkel aan de Vrijdagmarkt. De vensters van dit huis waar het verleden bijna tastbaar aanwezig was bestond uit stukjes gekleurd glas, waardoor het historisch marktplein een sprookjesachtig uitzicht kreeg: mijn eerste kennismaking met de magische Vrijdagmarkt. Ook het Patershol was een van mijn geliefkoosde plekken om door te wandelen , de waarschuwingen van mijn ouders negerend dat het een te mijden bolwerk was van gevaarlijke lui en goddeloze communisten. Ook hier snoof ik de magische sfeer op dat ieder huisje uitstraalde, en misschien was ik toen (en ik hoop het nu nog) Jean Ray, alias John Flanders (twee pseudoniemen voor Jean Raymond de Kremer ( 1883 – 1964) tegen het lijf gelopen. Nu kreeg hij de lang verdiende eer de meester te zijn van de Vlaamse versie van de Gothic story (hij schreef ook in het Frans). Veel van zijn inspiratie deed hij op tijdens zijn lange wandeltochten in het door magie doordrongen Patershol, dat gelukkig meer en meer door toeristen ontdekt wordt. 

Melusine :  meer dan een gewone zeemeermin

 

De Gentse lederbewerkers (ploters, leerlooiers en huidevetters) die leefden en werkten in het Patershol kunnen we gerust de middeleeuwse proletariërs noemen. Nemen we de ploters, die hadden enkel hun handen en proper water nodig om de dierenhuiden te reinigen (een gedeelte van de Plotersgracht bestaat nog naast het Caermersklooster) die achteraf door de looiers en huidevetters werden bewerkt, ook die gebruiken eerder primitieve middelen. Hun gildehuis bevindt zich aan de Vrijdagmarkt, het Toreken, bekroond met een windwijzer die de zeemeermin Melusine voorstelt. Haar geschiedenis begon zeer lang geleden (10de eeuw) in Frankrijk. Dit is geen openingszin van een leuk  

sprookje, maar steunt op historische kronieken. De heer Raimon van Poitiers wandelde in zijn uitgestrekt domein toen hij plots aan een meer een uiterst mooie vrouw zag (Melusine) waarop hij onmiddellijk verliefd werd en haar ten huwelijk vroeg. Ze stemde toe op één voorwaarde: op zaterdag mocht hij haar niet zien. Zo geschiedde, althans aanvankelijk. Ze leefden gelukkig, maar niet zo lang. Ze schonk hem enkele flinke zonen, één ervan werd de stamvader van de Lusignans, één der bekendste adellijke geslachten uit Frankrijk. Maar toch bleef onblusbare nieuwsgierigheid Raimon kwellen en op een zaterdag overtrad hij zijn belofte, wat hij aanschouwde deed hem bijna verstenen, zijn vrouwtjelief in de gedaante van een zeemeermin. Het geheim van Melusine had hij geschonden, met een ijselijke schreeuw verdween zij via het raam in de lucht. En hier begint in feite het historisch belangrijk gedeelte van het verhaal. Raimon verzonk in zijn bodemloze put van liefdesverdriet, maar op het wapenschild van de Lusignons pronkte de afbeelding van Melusine, de zeemeermin. Misschien was het uit dankbaarheid, maar nu en dan verliet ze haar parallelle wereld om iemand van het geslacht Lusignan te waarschuwen voor naderend gevaar. Ingrijpen kon ze niet, de kosmos kent nu ook eenmaal zijn wetmatigheden. In 1186 bracht Guy de Lusignan het tot koning van Jeruzalem. Hij was goede maatjes met de tempeliers , zo verkreeg hij ook het koningschap over het eiland Cyprus. Melusine verscheen diverse malen op de muren van Jeruzalem, want het onoverwinnelijke leger van de Koerd Saladin was in aantocht. Die veroverde de stad in 1187. Saladin was verzot op magische voorwerpen en zo eigende hij zich het schild toe met de afbeelding van Melusine. Nu slaan we een paar fases tijdens de kruistochten over , want na vele verwisselingen van eigenaar kwam het in handen van krijgers van het Vlaamse stadje Biervliet. Ook Jacob van Artevelde (over hem schreef ik reeds een artikel) was verzot op magische voorwerpen en zijn milities belegerden Biervliet en de laatste fiere eigenaars van het magische wapenschild waren de Gentenaars, Vanaf 1483 verrees (de eerste versie was in goud) Melusine als windwijzer op het Toreken om haar heilzame invloed over de Arteveldestad (ze had het inderdaad aan hem te danken) uit te stralen. Een zaak is zeker, ze trok op magische wijze andere zeemeerminnen aan, maar dit is een ander verhaal.  

In de Minnemeersen voelen de zeemeerminnen zich thuis.

Het gebied rondom het museum Miat aan de Leie noemt men de Minnemeersen. Het is een geliefkoosde site voor geleide wandelingen met als thema ons industrieel verleden. Het is er gezellig kuieren in een typisch 19de eeuwse omgeving. Maar vroeger had het een totaal ander uitzicht. Het was doorsneden door kleine zijarmen en grachten van de Leie. Het element water regeerde er met al haar magische eigenschappen triomfantelijk. 

Voor de rest enkel schamele arbeiderswoningen waar de armoede schrijnend van afdroop en gore drankgelegenheden en bordelen. Op een avond strompelde een herbergbezoeker er huiswaarts en had er een ontmoeting die hem zijn leven lang zou bijblijven. Dit is het begin van een verhaal uit de 19de eeuw dat ons boeiend verteld wordt door Luc Devriese in “Oost-Vlaamse zanten 1999 -1”, een toonaangevend tijdschrift voor Oost-Vlaamse folklore. Het is de algemeen verspreide opvatting dat de toponiem Minnemeersen verwijst naar het armere volk dat er huisde, eerst lederbewerkers, later katoenarbeiders. Devriese komt met overtuigende argumenten dat de naam verwijst naar ….jawel zeemeerminnen die de meersen blijkbaar als hun domein beschouwden. En dan het vervolg van het verhaal (ik zou liever de term getuigenis gebruiken) dat zich heeft afgespeeld aan de toenmalige Gentse Karnemelkbrug (dicht bij de Sint-Jakobskerk). De nachtbraker ontmoette er een verleidelijke vrouw die een betoverend lied zong, terwijl ze over haar sensuele lange haren streek. Hij kon zich onmogelijk bedwingen haar een intieme zoen te willen geven. Doch hij werd getrakteerd op een hevige klap in de rug en ze verdween gezwind in het water, haar vertrouwde domein. Ik merk toch één dissonantje op in dit leuke verhaal : ik dacht dat zeemeerminnen toch wat meer begrip toonden voor sensuele opwellingen bij de mannelijke exemplaren van de homo sapiens. Niet dus.

Verlaten we het magische domein van de zeemeerminnen. Aan de tegenovergestelde kant van de Vrijdagmarkt prijkt als een architectonische ijdeltuit, een beetje vloekend met de middeleeuwse  intimiteit van de overige gebouwen, de “Vooruit” als heraut van de socialistische beweging. We zullen onze aandacht richten op twee symbolen (een haan en drie achten) die een politieke betekenis dragen. Maar dit is maar schijn, want ook zij baden in de magie, zij het van een totaal andere aard. 

Het gebouw Vooruit aan de Vrijdagmarkt als bevestiging                               van Hegels dialectiek. 

Alhoewel hij in bijna geen enkel new-age boek of artikel vermeld wordt is de benadering van Hegel (Duits filosoof 1770 – 1831) van de menselijke geschiedenis (Phänomenologie des Geistes – 1807) louter esoterisch te noemen.  Bij hem is de menselijke geschiedenis geen loutere opeenvolging van feiten met soms een causaal verband ertussen, maar ze wordt heel doelbewust geleid door een hogere kracht : de Geest. Hierbij gaat de Geest heel subtiel te werk: ze creëert twee blijkbaar onverzoenbare tegenspelers (these en antithese) die ze dan als synthese laat versmelten, op haar beurt achteraf een these vormend. Het einddoel van dit wel misleidend dialectisch rollenpatroon is de manifestatie van de Geest als uiteindelijke waarheid. Ik noem dit een esoterische eschatologie (leer van de laatste dingen). In de negentiende eeuw werd de these vertegenwoordigd door het liberalisme die de vrije markteconomie bijna als het gouden kalf aanbad. Een minimale staatsinmenging met als meest gehoord devies: ieder voor zich en god voor allen. Een god waar ze trouwens niet in geloofden. Als krachtige antithese verscheen dan het socialisme. Met een beetje weemoed in het hart hadden de socialisten (met Anseele als grote leider) afstand genomen van de genadeloze klassenstrijd van het marxisme en dit vervangen door democratische middelen (lees: stakingen en betogingen) om zoveel mogelijk sociale correcties aan te brengen op de vrije markteconomie. Bekijken we nu het imposante gebouw Vooruit aan de Vrijdagmarkt. Een duidelijke exponent van het strijdbaar socialisme, via de goed zichtbaar aangebrachte zinsnede van Karl Marx - "werklieden aller landen vereenigt u" – weerklinkt zelfs de weemoed naar de klassenstrijd. Maar dit is slechts schijn. Ferdinand Dierkens, de architect van het gebouw dat  bijna schaamteloos de Vrijdagmarkt overheerst wou enkel de antithese dik in de verf zetten om de geplande synthese in Hegeliaanse zin met ingrijpende veranderingen des te succesvoller te verwezenlijken, want Anseele was slechts een …. 

Anseele als pionnetje op een Hegeliaans schaakbord. 

Hippolyte Metdepenningen was de eerste doctor in de rechten aan de pas in 1816 (we behoorden toen tot Nederland) gestichte Gentse Universiteit. Zijn standbeeld prijkt voor het vroegere Gerechtshof en werd enkele jaren geleden besmeurd. Gebeurde dit omdat hij een vurig orangist was (die orangisten wilden ook nog na 1830 tot Nederland behoren) of kon men een afscheiding in de Gentse logewereld nog steeds niet verwerken? 

In 1811 werd de Gentse loge Septentrion (het geografische noorden, verwijzend naar de mythische Poolster) in de Koperstraat (een klein straatje nabij Coupure Links) gesticht. En Hippolyte was één der bekendste logebroeders van die wel overwegend zeer conservatieve liberaalgezinde leden. Enkele progressieve liberalen scheurden zich af en stichtten in 1866 de Gentse loge La Liberté. Zij verzamelden in een gedeelte van de Achtersikkel. Dit prachtig gebouw naast de St.-Baafskathedraal wordt door gidsen in poëtische woorden besproken als het architectonische pareltje van Gent. En in het renaissancegedeelte van dit imposante bouwwerk (de rechtse kant van het gebouw met de typische rondbogen) hielden de afgescheurde logebroeders hun vergaderingen. En hun doelstellingen waren zeer hoog gegrepen :in Gent zou men starten met een nooit geziene sociale omwenteling die zich als een niet te stuiten golf zou verspreiden, over diverse grenzen heen. Men droomde van een nieuwe wereldorde waarin liberalisme en socialisme in Hegeliaanse zin zouden samensmelten en waarvan het licht als een komende gouden dageraad reeds daagde symbolisch aangekondigd door een kraaiende haan. Hiervoor had men Edward Anseele in het oog , de ideale persoon om hun plannen te helpen verwezenlijken zonder dat hijzelf het besefte. Men had hem van bij de aanvang van zijn activiteiten aandachtig gevolgd. Toen Edward (Eedje voor de intimi) in de duistere Gillis Coppinsteeg (tegen de Sleepstraat) in de miserabele herberg Zacheus (was een leerling van Christus, Eedje had een zwak voor bijbelse namen) een bescheiden coöperatieve bakkerij stichtte : de Vooruit (1880). Als hij daar een vlammende speech gaf over de wraakroepende armoede van de arbeiders bespeelde hij zijn publiek zoals een volleerde muzikant zijn instrument. Toch was hij beïnvloedbaar en ijdel, het perfecte profiel om als een pionnetje te gebruiken. Ook ontpopte hij zich als een goede zakenman die zijn wel minieme coöperatieve  liet

uitgroeien tot, althans voor de normen van die tijd, een imperium van een warenhuis, winkels en ateliers rondom het Garenplein (nu Anseeleplein, aan de Vrijdagmarkt). De voorzienigheid (of was het iets anders ?) greep in, zijn“groote magazijn” brandde in 1897 af. Tijd om in te grijpen. Anseele zelf zou  men nooit inwijden, maar bleef wel een graag geziene gast in de loge, waar de logebroeder en architect Dierkens (ingewijd in de hogere graden) hem moest overtuigen dat voor iemand die architecturaal de Vrijdagmarkt beheerst ook de rode loper voor internationale roem zou worden uitgerold. En daarna zou men het grote geschut inschakelen: Ernest van de Brusselse loge les Amis Philantropes. In 1897 , het jaar van de brand dus, huwde Eedje met Marie de Coster, naaister (letterlijk dan) in één van zijn ateliers. De huwelijksreis ging richting Parijs, stad van de liefde ,maar voornamelijk van het licht, want vooral het overheersende elektrische licht in de Parijse grootwarenhuizen trok zijn aandacht. Onmiddellijk daarna ging het richting Brussel, de Louisalaan, waar Victor Horta zijn prestigieuze “hotel Solvay” had opgetrokken voor de wereldberoemde industrieel Ernest Solvay. De bekende liberaal Solvay was de trots van de Belgische chemiesector , hij ontwikkelde niet enkel het sodazuur maar onderhield ook contacten met de fine fleur van natuur- en scheikundigen van wereldniveau (o.a.. Curie en Einstein). Via de loges waren Edward en Ernest goede maatjes geworden , wel zo een beetje in het verborgene. Voor het verwezenlijken van Edwards droom , een majestueus nieuw socialistisch  warenhuis in onvervalste Parijse stijl, leverde Solvay een belangrijke financiële bijdrage. In 1902 viel het gebouw in volle glorie aan de Vrijdagmarkt te bewonderen. Het plan was gelukt. Ferdinand Dierkens zorgde voor twee magische symbolen in zijn eclectisch (mengstijl) bouwwerk. Eerst de haan, daar hadden we het reeds over. Nu vertelt men dat dit beeld een schenking was van de Waalse afdeling van de Belgische socialistische partij, niets daarvan. En onder de haan merk je drie achten. En die zijn toch dubbelzinnig. Niet enkel de socialisten, maar ook veel prominenten van andere politieke strekkingen ijverden voor de verdeling van een arbeiders etmaal in drie fasen van telkens 8 uren: werken, ontspannen en slapen. Zelfs koning Albert 1 steunde dit voorstel. Volgens mij zit hier een niet mis te verstane esoterische vingerwijzing achter. In de loges werd dikwijls de hermetische filosofie grondig besproken met vooral de focus op de figuur van Hermes Trismegistos (driewerf  grote Hermes). Die kreeg een bijna goddelijke status.8 is het esoterisch getal voor het goddelijke, dus driemaal acht.

En hoe verging het Anseele. Zijn ster schitterde steeds meer en meer aan het politieke firmament: eerst waarnemend burgemeester (einde eerste wereldoorlog), dan belangrijke ministerposten: openbare werken (1925),spoorwegen en P.T.T.(1927) en minister van state (1930). Internationale roem begon te dagen. Maar de goden beslisten er anders over. Als in een Grieks drama sloeg het noodlot blindelings toe. In 1934 ging de Bank van de Arbeid ,waarvan hij de centrale figuur was, failliet. De oorzaken hiervan zijn nog steeds niet opgehelderd. Zijn ster doofde uit, de magische haan kraaide niet meer, maar weende. In 1938 overleed hij. Voor mij blijft hij een raadselachtige figuur.

 

In een volgend artikel richten we onze aandacht op een ander gebouw met talrijke magische tekens en symbolen: het Caermersklooster, in het Patershol.

 

 

wordt vervolgd . 

 

 

Tekst: Corry Geijsen                                                                              Illustraties: Patrick Coucke